Menu

De vredesbeweging en Wereldoorlog I

Artikelindex

De aanslag van de Servische nationalist Gavrilo Princip op de Oostenrijks-Hongaarse kroonprins Franz Ferdinand was het startsein voor een gruwelijke oorlog die op een nooit eerder geziene schaal meer dan vier jaar zou duren. Naar schatting 20 miljoen mensen lieten het leven en nog eens zoveel geraakten gewond. Alle belangrijke toenmalige grootmachten geraakten betrokken bij deze 'Groote Oorlog'. Op Europese bodem bleven alleen Spanje, Nederland, de Scandinavische landen en Zwitserland afzijdig. In de eerste maanden scheerde het patriottisme hoge toppen. Maar van meet af aan was er ook verzet tegen de oorlog dat, naarmate de oorlog dodelijker en gruwelijker werd, toenam. Dat verzet werd gedragen door uiteenlopende kringen van socialisten, syndicalisten, pacifisten, feministen, anarchisten, religieuzen, intellectuelen,....

Aan de vooravond van de oorlog liepen de spanningen hoog op. De grootmachten stapten in wisselende allianties en sloten verschillende, niet zelden geheime, militaire akkoorden. Daaruit groeiden uiteindelijk twee grote bondgenootschappen: de Triple Alliance (Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië, dat bij het uitbreken van de oorlog het bondgenootschap zou verlaten, waarna Turkije het bondgenootschap vervoegde) en de Triple Entente (Frankrijk, Groot-Brittannië en Rusland). Het ging om een fragiel evenwicht dat uiteindelijk niet standhield. De koloniale ambities van de grootmachten zorgden voor onderlinge rivaliteiten. De industrialisering noopte tot een voortdurende zoektocht naar grondstoffen en afzetmarkten en deed ook een strijd losbarsten over de toegang tot maritieme routes. Koloniale machten beschouwden hun kolonies grotendeels als afhankelijke wingewesten voor de eigen economische ontwikkeling. De toegenomen politieke spanningen en de industrialisering zorgden voor een versnelde modernisering van de militaire apparaten en de introductie van nieuwe militaire technologieën. Tot slot werden de oerconservatieve regeringen die over weinig of geen democratische legitimiteit beschikten geconfronteerd met interne spanningen als gevolg van een ontevreden verpauperde arbeidersklasse die weinig of niet profiteerde van het kapitalistische systeem. Alle voortekenen waren aanwezig voor een kettingreactie die zou leiden tot een militaire confrontatie op nooit eerder geziene schaal.

Op 28 juli verklaarde Oostenrijk-Hongarije de oorlog aan Servië. Twee dagen later kondigde het Tsaristische Rusland, dat Servië steunde vanuit de optiek om een maritieme toegang tot de Middellandse Zee te forceren, de algemene mobilisatie af. De dag daarop verklaarde Duitsland de oorlog aan Rusland en deed dat op 3 augustus ook met Frankrijk. De Duitse schending van de Belgische neutraliteit om Frankrijk te kunnen aanvallen, was het ultieme argument voor Engeland om op zijn beurt de oorlog te verklaren aan Duitsland. Het hek was van de dam.

De militaire troepen zouden aan de lijve ervaren dat het karakter van de oorlog voor goed was veranderd. De industrialisering van het slagveld zorgde voor een van de grootste slachtpartijen uit de menselijke geschiedenis tot nog toe. In de slag om Verdun (februari tot december 1916) vielen er rond de 750.000 slachtoffers (gedood of gewond), in de slag aan de Somme (juni tot november 1916) ging het over meer dan een miljoen slachtoffers en in Passendaele (juli tot november 1917) liggen de schattingen rond de 500.000, allemaal voor enkele kilometers grondgebied.