Menu

Virginie Loveling : Oorlogsdagboeken 1914 - 1918

Virginie Loveling : Oorlogsdagboeken 1914 - 1918

 Marie Virginie Loveling (Nevele, 17 mei 1836 – Gent, 1 december 1923) was een Vlaamse schrijfster.  Zij debuteerde, samen met haar twee jaar oudere zuster Rosalie, met realistische, observerende gedichten, die een sentimentele ondertoon hadden.  Na Rosalies vroegtijdige overlijden in 1875 schreef zij in hoofdzaak novellen en romans in een vrij sobere en realistische stijl.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog hield zij een dagboek bij, dat in 1999 voor het eerst verscheen in een integrale editie.  Virginie Loveling overleed in 1923. Ze werd begraven op de Westerbegraafplaats in Gent.



Virginie Loveling was van goedburgerlijke afkomst.  Ze liet geen politieke geschriften na, behalve enkele antiklerikale.  Haar oorlogsdagboeken zijn dan ook vooral beschrijvend (armoede, ellende, verdriet).  Toch zitten er ook verzetselementen in.  Bv het dagboek op zich was een daad van verzet.

Enkele citaten uit de onlineversie van het integrale dagboek.  Bij De Standaarduitgeverij is een selectie in boekvorm uitgegeven.

Zaterdag 9 januari 15.

Tot in melkerijen worden koeien in beslag genomen.  Een melkvrouw kwam verleden in het Klein Begijnhof met een hond aan de kar : ‘"Waar is uw paard dan?"’ vroeg het eerste begijntje, bij wie ze aanbelde.
‘"Van de Duitschen opgeëischt."’
Een tweede melkboer reed het Hof binnen met een oud paard, dat schier niet kon voortgeraken, de ruige huid jammerlijk over de schonken gespannen :
‘"Kijk, kijk wat een mager beest, en uw ander paard, waar is dat, verkocht?"’ vroeg de portierster.
‘"Van de Duitschen gepakt,"’ met een zucht.
‘"Zonder betalen?"’
‘"Ik moet het afwachten, ik kreeg een schuldbekentenis, dat is al."’
Van de gehoorde schoten tusschen 2 en 3 dezer is nog niets bekend.  Er wordt beweerd, dat ze op deserteurs zijn afgevuurd.  42 burgers zijn dien avond in de nabijheid der bewuste plaats door Duitschers aangehouden, afgetast en, met de kolf van 't geweer op den rug, van de Citadellaan verdreven.  Een stadsbeambte had met zijn familie den avond doorgebracht bij vrienden op de Leopoldlaan, als hij buiten kwam sprongen soldaten op hem toe : ‘"Binnen blijven,"’ ruw hen terugduwend. Een kwartier later nieuwe poging van buitenkomen, nieuw terugdringen, totdat het hun gelukte, geen soldaten meer te ontwaren de vierde maal.
De algemeene Gouverneur van België laat weten, dat van af 15 januari '15 geene opeischingen meer zullen gedaan worden zonder gereede betaling van wege de duitsche bezetting.
Duitsche soldaten, babbelzuchtigen, verzekeren, dat er zeventien van hun mariniers doodgeschoten zijn, omdat ze weigerden naar 't front aan den IJzer te gaan : ‘"Wij behooren tot de zeemacht, niet tot de landmacht"’, was hun leus van opstand geweest.   (…)

Zondag 14 februari '15.

Waar zou ik vluchten, indien Gent gebombardeerd moest worden ?  Nergens.  Er bestaat geen oord van veiligheid meer : mijn huis ligt op het hoogste gedeelte van de stad, een goed mikpunt dus.  De keldering is niet sterk boogvormig, dus niet zeker tegen gevaar.  Elders heen ? — waar?  De wegen zijn niet veilig rondom de stad, de naburige dorpen zijn het evenmin ...  Ik dacht dwaselijk in het begin van den oorlog : "Ik zou in geval van nood mijn toevlucht nemen tot het Klein Begijnhof ; het behoort aan den hertog van Aremberg, een Duitscher. Het zal "geschont" worden.  Daar woont een nicht van mij, een vriendin en ook nog een bekende ; deze zullen tijdelijk de gevluchten herbergen …"  Alsof van 't eerste kanonschot en nog vóor het vallen van 't eerste schot, de groote ingangspoort niet zou gesloten wezen ! ...
Het best is stil te blijven, waar men is en het komende en gebeurlijke gelaten af te wachten.
Er ligt een soort van bevrediging in, de fantazij vrij spel te laten, zich te vermeien in akelige voorstellingen, de toepassing vooruit te zien van strenge straffen voor kleine misdrijven die in beroerden tijd, groote evenredigheden aannemen ; men wil in verbeelding sidderen voor wat het verstand toch weet, dat vermoedelijk niet geschieden zal.
Zoo kan ik mij verdiepen in gruwelwekkende en toch schier behagelijke geestesfoltering: van soldaten, die zullen binnenkomen, opzoekingen doen, handschriften ontdekken en mij tot ballingschap of tot de doodstraf veroordelen ...
Het gewicht zelf dat ik hecht aan mijn aanteekeningen, boezemt mij moed tot voortzetting in.  Soms als ik slapen ga, in het zalig bewustzijn nog voor heden, en hoopvol voor morgen, veilig in mijn gewone, geliefde omgeving te wezen, denk ik genotvol : "wat ben ik blijde tot dus verre nog voor gevaar gewaarborgd te wezen."
En toch huiver ik — enkel in een spel der verbeelding — een troost eerder dan het ontsnappen aan een bedreiging :
"Nu zou 't mij toch niet lusten om morgen vroeg door krijgsmacht hier uitgehaald en naar het Park geleid, en daar gefusilleerd te worden !"  En mijn voorstellingsvermogen is zoo opgewekt, dat ik in werkelijkheid een schot meen te hooren, als op dien vroegen ochtend, toen de belgische spioen hier dichtbij, door zijn eigen landgenooten onverbiddelijk werd neergeveld.  Ik ben het niet alleen, welke die schrikbeelden oproep en zinsbedrog den toom laat vieren : aldus zijn er bewoners in de buurt van het Gravenkasteel — de sterke Gentsche burcht uit de middeleeuwen — die 's nachts wakker schieten of den slaap niet vatten kunnen.  Zij hooren weeklagen en noodgehuil.  Dat stijgt — beweren ze — op uit onderaardse kerkers, waar noch licht noch behoorlijke lucht is, en waar duitsche soldaten gevangen zitten.  Deze hebben geweigerd naar den IJzer te trekken en zijn door den krijgsraad veroordeeld om aldaar in oublietten te verhongeren, totdat de dood zich hunner ontfermen, en aan lijden een einde stellen zal ...
Verzoekt het niet, ze van hun overtuiging af te brengen …  Is het ook verbeelding wat zoogezegde ooggetuigen vertellen van wapenoefeningen, die ze hebben gezien: oude onhandige mannen van den Landsturm, die kaakslagen en stampen krijgen, als ze de bevelen der onderrichters verkeerd uitvoeren ?  Jongens van zestien, zeventien jaar, soms wel lomperiken, inderdaad, maar waarop vloeken, met "Donner Wetter" als hagelvlagen neerstorten door stooten en schoppen kracht bijgezet ?  Is het waar, dat ook beschaafde aankomelingen van den middelstand uit gymnasiums en pensionaten worden gehaald om dienst te nemen in het leger of op de bureelen werkzaam te zijn ?  Is het waar, dat onvolwassenen, onder zedelijken dwang, de wapens moeten opnemen als vrijwilligers, zooniet dat de openbare verachting op hen weegt ?  Dat weet ik allemaal niet, doch schrijf het neder als een bewijs van de opschudding der geesten of hun ontreddering. Alzoo vertelt men van een soldaat, die in een café zittend, een bende jonge kereltjes van het exercitieplein komen zag, eensklaps opstond, buitenliep en een kind van vijftien of zestien jaar, in soldaat gekleed, aan het hart drukte.
Het was zijn zoontje, dat uit een kostschool was gehaald.  Volksgeloof waarschijnlijk.  Maar altijd zeker is het, dat hier ontelbare baardeloozen verblijven, nu meer dan in 't begin van den krijg.

Woensdag 10 maart '15.

‘"Wilt gij de Hel eens zien,"’ had Anseele, de alombekende leider der socialistische partij in Vlaanderen, en schepen der stad, mij voorgesteld.
‘"Ja,"’ was mijn antwoord.  Dag en uur werden bepaald.  Dat gebeurde gisteren. Op klokslag 9 stond het auto voor de deur : met ‘"Stad Gent, Ville de Gand"’ er op : Ik was ingestapt. ‘"Wij zouden kunnen moeielijkheden hebben, draagt gij een bewijs van identiteit op u ?"’
‘“Terugkeeren ?  Mijn pasport halen ?"’
‘"Neen, wij zullen 't zonder riskeeren."’
Op het uiteinde der Coupure wees hij mij een zeer grooten houthandel cour, vroeger hoog met planken beladen, nu schier ledig : Alles opgeëischt voor hun borstweringen."
Wat verder stonden vele vrachtwagens, volgeladen met onbewerkt vlas.  Aan een halfvollen wagen waren werklieden bezig pakken aan het opeischen.  ‘"Alles voor Duitschland."’
Wij reden langs den oever der Brugsche vaart.  Voor een groot gebouw in vuilgeworden baksteen bleef de auto staan.  De portierster leidde ons in een wachtzaaltje : ‘"Een muts, een mantel,"’ gebood mijn geleider.  En dat werd aangebracht, alles frisch, glimmend gestreken. De muts was een zoogenaamde cornette met lange, gekroesde fril, zooals ik er als kind door oude vrouwen heb zien dragen.  En daarmee aan naar de fabriek.
Het hoofd wordt in eens duizelig van het machtig geronk daarbinnen, ten minste voor wie er niet aan gewend is : alles draait en ronkt en stampt en kraakt in onophoudende bedrijvigheid der machienen, verstommende voortbrengsels van het menschelijk vernuft : zoo ingewikkeld van raderwerk, zoo ineenpassend als doel.  Jammer dat al dat vernuft nu dient voor wederzijdsche menschelijke vernietiging.
Die machinenkracht zoo zeker, zoo geweldig, treft tevens door het zachte, dat er in ligt.  Ge zoudt geneigd zijn om die zoo gevaarlijke lederen banden met de vingers te beroeren om ze te voelen opdraaien of nedergaan.
Wat ik daar allemaal zag, ligt verward als een chaos in mijn brein : bobijnen, weven, dradenknoopen, spoelen op spillen stellen en afnemen en wat niet al.  Meisjes en vrouwen, meestal jong, ook in 't linnen, met een muts op als de mijne, waren ieverig aan het werk. Aankomende jongens evenzoo.
Bij het verschijnen van hun aangebeden bestuurder ontspanden de trekken zich tot een blijde uitdrukking, in zijn geleide deelde ik in de sympathie en werd ik ook minzaam toegeknikt en aangelachen.
‘"Hoelang moeten die menschen het hier in die stiklucht uithouden ?"’
‘"Tien uren daags."’
‘"Denken, — is dat mogelijk hier in al dat geronk ?"’
‘"Neen, maar de wevers kunnen dat.  Het soort van hun arbeid brengt dat mede."’
Wij zagen 't vlas bewerken van af de grondstoffe, bruin en ruw, tot de fijnste, zijige draden, schier als wit haar zoo zuiver en zoo kundig door een machien als een hand met vingeren vastgegrepen en voortgedreven.  Ik zag een man aan een toestel staan, die niets anders te doen had dan al zijn krachten te gebruiken om een slot klinkend toe en open te draaien. Helaas ! hoe geestdoodend moet zoo iets wezen.
‘"Wilt ge u een beetje warmen ?"’ werd schertsend voorgesteld door een werkman en een deur geopend.  Een hevige, vochtige hitte steeg er uit, bedwelmend ademafsnijdend en de brilglazen bedoomend.  Trappen waren af te treden.  Wat daar verricht wordt, weet ik niet meer, maar toen mijn blik wat den damp kon doorbooren, zag ik er mannen, grijzaards met baarden, als vlugge schimmen bewegen.
En nu naar de continue ...  Meisjes met bloote halzen, armen tot aan de oksels naakt, korte rokjes, bloote beenen en ... bloot niet alleen, maar alles nat, druipnat, stonden of liepen ze daar, in sterk machienengedruisch, aan hun slaventaak bezig.
Het oog ook wordt nat bij zulk een hartbrekend schouwspel : ‘"de Hel,"’ had Anseele gezien …  Ja, het was de hel in al haar akeligheid.
De beveiligheidspij afgelegd en verder om de instellingen, die reuzeninstellingen van "Vooruit" te zien en te bewonderen, wat doelmatige samenwerking vermaak : de brouwerij, de suikerijfabriek, de koffiebranderij, de voorraadmagazijnen, de bakkerij, waar dagelijks zooveel duizenden brooden gebakken worden : alles machienewerk: groote ketels rijzende deeg, met stalen lepels door raderwerk omgeroerd, uitgeschept en in vaten op wagentjes vervoerd naar troggen, waar mannen dien deeg kneden en broodvorm geven.  Op groote ijzeren platen ten getalle van twintig of vijfentwintig worden de brooden in den oven geschoven en na dertig minuten komen ze er als verguld uit.  Allerlei kleingoed is er te verkrijgen.  Wij bezochten ook de katoenspinnerij, groot luchtig, heelemaal modern en verschillend van de vlasspinnerij, die sedert lang bestaat en van "Vooruit" werd overgenomen.
In het groot vierkant van het kleedermagazijn op de Vrijdagmarkt, vier verdiepingen hoog met open galerijen, was geen mensch te zien.
Alles gevolg van oorlog en gedwongen spaarzaamheid.  De maatschappij wint nog dagelijks leden aan, met honderden op heel kort tijdverloop.  Ze bezit behalve vele apotheken zes en twintig hulphuizen in Gent.  Het was éen uur toen onze tocht afliep :
‘"Nu hebt ge een anderen blik verkregen op sommige maatschappelijke toestanden,"’ zei Anseele glimlachend bij het afscheid.  
Ik had veel gezien, waargenomen en geleerd dien dag ... doch van in mijn kinderjaren ben ik in een midden van gedachten en leerstelsels van democratie en medelijden met volksellende grootgebracht.  Het geleek hier veelmeer een heropwekking van het reeds in mij bestaande, een voleindiging dan iets vermoeds of verwachts.

Donderdag 22 juli.

Groote woeling gisteren in 't centrum der stad, vooral op den Kouter, de gewone verzamelplaats van manifestanten.  Schier op alle borsten schittert het driekleurig lint.  Velen dragen daarenboven een portret van den koning.  Dit bestaat uit het uitgesneden kopje van een goud- of zilverstuk, of een A uit een cent ; ook klimopbladeren — emblemas van verval, maar volgens andere uitleggingen van standvastigheid tot den dood.
De gendarmen doen dienst, wellicht met te veel strengheid, wellicht zijn er uitdagende houdingen : strikjes worden afgerukt of dragers krijgen bevel ze af te leggen.  's Namiddags ga ik in gezelschap, kies de minst bezochte wegen er naartoe.  Ontmoeting van enkele wandelaren in opvallende feesttoiletten.  Wat is het mooi wat is het frisch langs de Oude Schelde, onder het dicht gewelf der boomenreeksen van de Muinkkaai ; aan den overkant van het snel vlietend water de St. Pieterskerk met hare ronde koepel en vierkanten toren van welks model degenen, die nooit uit het land zijn geweest, bombastisch beweren, dat ze wel kleiner, maar anders juist op de St. Pieters kerk van Rome gelijkt ! ...
Achter den stroom de duizelig steile oeverhelling, gansch met heestergewas begroeid, en nog daarachter, hoog daarboven, de ongelijke dakenrij der St. Pietersnieuwstraat.  Hier kan de geest zich in een heuvelstreek wanen en vermeien in 't ongewone van dien aanblik.
Het gesprek loopt — in onze vereeniging — als immer op den oorlog en nu hoofdzakelijk op het gebeurde van den dag : ‘"Een prachtige manifestatie van vaderlandsliefde,"’ zegt de een. ‘"Waarom toch de "Bochen" in wier macht wij zijn, met linten en strikken ophitsen ?"’ vraagt een ander.
Een derde heeft op den Kouter een dame gezien, die een groote, driekleurige kokarde op de borst droeg.  Een officier beval haar dat af te leggen.  ‘"Ik doe het niet,"’ zei ze. ‘"ge moet,"’ hernam hij.  ‘"Doe het zelf,"’ trotste zij hem en met zulk een brutale hand trok hij het stuk af, dat er een brok van haar jasje mede afscheurde.
Ze schimpte: ‘"Ik heb nog andere kokarden ik zal de eene na de andere op mij steken."’
‘"Hoe gevaarlijk,"’ sprak een bezadigde van 't gezelschap, ‘"hoe onnoodig dom van die dame."’
‘"En als voor iets dergelijks de stad geboet wordt met een groote geldsom ?"’ vroeg een ander. ‘"Wat geeft het, laat ze geboet worden desnoods met twintig, met vijf en twintig millioen, 't is maar wat meer bij al de lasten, die ze heeft,"’ klonk het enthusiast antwoord van den verteller.
En nu ging het verontwaardigd op uit veler mond : ‘"En onze arme bevolking, die reeds honger lijdt en voor zulke snoeverij nog meer zou moeten derven.  Krachtig optreden is bewonderenswaardig, als ge zelf goed en bloed voor een zaak te pande stelt, maar niet als ge anderen daardoor schade berokkent."
‘"Ik zou die vrouw eenvoudig opsluiten gedurende heel den tijd van den oorlog als verderfelijk voor hare medeburgers,"’ sprak een oude dame.
De berichtgever van 't geval zweeg, te beleefd om aan een vriendendisch twist te verwekken.
In het terugkeeren dwaalden — bij invallend avondduister, mijn gedachten weder naar dat gesprek en den huidigen toestand : is het wijs voor een machteloos kind te schoppen naar een onrechtvaardigen stiefvader ? ...  En dan kwamen overwegingen van een anderen aard. Die manifestanten, wie zijn ze? Meest jonge lieden of middelbaren leeftijd, kloeke kerels, gedwongen werkelozen ... kameraden, stad- en landgenooten zijn in den strijd, geven hun bloed en hun leven, zitten in de loopgraven onder het geschut; ze hebben geen bed, geen lekker eten en zij, die hen zouden kunnen ter hulp komen, blijven dadeloos en meenen een blijk te geven van groote burgerdeugd, als ze een lintje dragen en luid roepen in den drang der menigte : ‘"Leve België, leve Frankrijk, leve de Koning !"’
‘"Niemand gedwongen soldaat,"’ is hun leuze, dat ze zich dan schuilhouden en zwijgen ten minste.

Zondag 25 juli '15.

De straf van de heerschers is niet lang uitgebleven: verbod van het dragen aller belgische kleuren, eereteekens, portretten der koninglijke familie, het uitstallen hunner beelden, het uitplakken van politieke schriften.
Vele stadgenooten keuren de manifestatie goed : ze zeggen ‘"Het is de ontploffing van onderdrukte eigenwaarde.  Het is een les voor Duitschland te ondervinden, hoever de Gentenaren er van af zijn slaafs onder den geesel van hun oppergeweld te buigen.  De dames hebben gelijk,"’ zeggen ze, ‘"hun strikken te laten afrukken, hun kinderen in een costuumpje te steken van rood geel en zwart, er kome van wat er wil.  Overigens, de brutaliteit der duitsche gendarmen was te groot om ze lijdzaam te dulden, het ware lafheid geweest er geen protest tegen te uiten."’

Donderdag 7 october '15.

Nogmaals zag ik duitsche honden hun meesters vrij achterna loopen, vooruit draven en snuffelen, waar het hun belieft.
En weder een verontrustend bezoek, na een heelen tijd van betrekkelijke gemoedsrust, aangaande mijn dagboek.  Waar er nu mede heenvlucht ?  Niemand, volstrekt niemand, weet dat ik er een op nahoud.  En de bezoeker, vertrouwender dan ik, deelde mede, dat hij vele verboden schriften, dagbladen, brochures en ook persoonlijke aanteekeningen in huis heeft.
‘"Zijt ge niet bang ?  Waar steekt men zoo iets weg ?"’
‘"Ja wel, heel bang, maar ik doe het niettemin, verberg ze hier en daar."’
‘"Het ergste is, dat ik zelf niet goed weet waar en erg zal moeten zoeken na den vrede.  Ik durf nergens aanteekenen, waar het allemaal verscholen zit."’
Iemand heeft mij gezegd, dat de brandkast in een bank het zekerste is. Daaraan herinner ik hem.
‘"Ik meende 't ook en ik deed het,"’ antwoorde hij, ‘"maar een bevoegd persoon joeg mij schrik aan : indien ge verklikt wordt — en hij staat als aartsvijand van den bezetter geboekt — zal het eerste wat er gedaan wordt, zijn het openbreken of doen openen van uw brandkast."’
De schrik sloeg ook in mijn hart, niets liet ik merken.  Maar van slapen was er geen queestie verleden nacht.  Waar, waar ermede ? ...  En indien mijn huis in brand geschoten wordt ?  En zoo niet, indien de schuilplaats wordt ontdekt ?  Steek ik het te goed weg en sterf ik plots niemand zal het verborgene vinden ... al mijn arbeid vernietigd, ongelezen, verloren ! ...
Doodgeschoten ? ... ja, sterven moet men toch ... maar mijn dagelijksche indrukken aan niemand kunnen mededelen ! …  Ik hoor vertellen van menschen, die gevangen worden voor een onbedacht woord aan een soldaat, die afgeluisterd zijn en streng gestraft voor een onvoorzichtige uiting over den oorlog.  Opgesloten, naar Duitschland gestuurd, zonderdat iemand weet, waar ge u bevindt, en al de vreeselijke ellende niet alleen van de veroordeelden ginder maar de onschuldige krijgsgevangen mede te doorstaan.
En heden trok ik zoo spoedig mogelijk naar de bank.  Alles er weder uitgehaald.  O wat een zwaar pak reeds dat vlug op papier neergeworpene dagboek !  Ja een heel boek, een omvangrijk boek zal het uitmaken.  Wat zal er aan af te schrijven zijn voor het drukken, indien het levensbehoud mij gunstig is.  Ik durf mij op geen tram wagen, wie weet wordt het mij niet afgepakt en onderzocht er zitten altijd zooveel spioenen op.  Intuïtie kan sterk wezen bij sommige naturen ...  En te voet met dat gewicht verzwaard door de uitknipsels der couranten.  Ik kan geen pakje, zelf geen klein dragen, het is bespottelijk maar het is zoo.
Mijn vingers slapen als dood.  Mijn arm beeft, het is de angst wat mijn gang zoo loom maakt.  Ik ga niet door de drukke straten, maar kies de eenzame kade langs de Leie — een omweg dan nog ... en kom uitgeput en mismoedig thuis met een pijnlijk bewustzijn van den waren toestand en een onaangename overtuiging van 't gevaar.
Nu zit het handschrift hier, voor hoelang zal het wel wezen ?

25 November 1915 Kwart voor acht.

Het rijtuig is daar.  Wij stappen in, huiverend van ontroering bij het afscheid, onze dierbaren achterlatend.  Het is mistig.  Het regent.  Benden soldaten marcheeren ook hier; ze doen ons denken aan die bestendig geziene troepen, ginder in het vaderland.  Gentsche vrienden komen aan het station, met groeten en mededeelingen aan hun verwanten in Gent.  De trein rolt aan en heen.
De droppen kringelen van de ramen af.  Dat belet niet waar te nemen, dat er hier en daar in de vochtige weilanden nog koeien loopen, enkele met een beschuttenden zak op den rug.
Het bevel waarbij koning Albert de in den vreemde vertoevende, weerbare mannen oproept om zich bij het leger te voegen, is uitgevaardigd op straffe van deserteur zijn in oorlogstijd.
Bekenden van ons hebben twee zonen : de een is drie en twintig, de andere een en twintig.
Die jongens zijn, uit overmaat van kinderliefde, verwijfd, vertroeteld opgebracht.  Dit belet niet, dat de oudste, bij het zien der uitbarsting van vaderlandsliefde, zoo bewonderenswaardig onder het jeugdig geslacht, ook zijn hart voelde kloppen van dapperheid en solidariteitsgevoel met zijn kameraden, verklaarde hij aan zijn ouders, dat hij zich aan ging geven. En de jongste — de kleine — zooals hij genoemd werd, al was hij de grootste der twee — een brave, schuchtere, meisjesachtige knaap, zei : ‘"Wat mijn broer doet, doe ik mee."’
Luid gejammer der moeder, streng opkomen van den vader :
‘"Geen quaestie van, gehoorzamen aan de ouders !"’  En in allerijl werd alles klaar gemaakt voor de vlucht over de grens, alles opgeofferd, alles verlaten : huis, have, nijverheid, geldgewin en weg met de twee zonen ...  In verveling leefden de vier te Sas-van-Gent, vervolgens in Terneuzen en nu laatst verbleven ze te Rotterdam.  In droefheid en werkeloosheid ging de tijd voorbij sinds meer dan een jaar zijn verlammende kracht uitoefenend, met tusschenpoozen van steeds verzwakkenden opstand tegen ouderen dwang.
En daar viel in dat midden de figuurlijke bom van het oproepen ten strijde.  Wat nu gedaan, waar nu gevlucht ? ... waar zich verschuilen ? ...
De jongens sidderden ook eensklaps bij het vooruitzicht en nu door een mysterieuze terugwerking op haar levens- en plichtsbeschouwing ontwaakte een nieuw gevoel in het hart der moeder :
‘"Ge moet,"’ sprak ze beslist, ‘"ge moet uw land dienen als eenieder van uw leeftijd, ge moet gaan,"’ en de vader, onder het overwicht van haar wil, zei ook ‘"ge moet."’
Maar het was te laat.  Die nieuwe kentering van den toestand begrepen ze niet en dat plichtgevoel was hun nog vreemd.
‘"Ik wil niet,"’ verzette zich de oudste.
‘"Indien mijn broer niet wil, wil ik ook niet,"’ zei de kleine die de grootste is.
En nu in 't midden van dat geharrewar en dat dwingen en weigeren zouden ze aan den trein komen te Rotterdam om ons te begroeten.
Daar stonden ze aan de open treindeur in het gewoel rondom hen, in den nevel, in de halve schemering van den regendag, de twee jongens en de moeder.
Anderhalf jaar geleden woog ze honderd en tien kilog.  Nu was ze nog bijna even zwaar, doch alles in haar gestalte en op haar gelaat was neergezakte ; bleek waren hare nog dikke maar niet meer ronde wangen en bij het spreken stond een zwarte leemte in haar onderste gebit, en naast haar die twee rampzalige jongens, geslonken en als ingekrompen.  En zij lachten ons als vroeger liefderijk tegen en reikten ons de hand.
‘"Spreek hun vertrouwen in,"’ smeekte mij de moeder.
En ik, verdwaasd bij dat dringend bevel, zei niets anders vindend, mij tot den oudste wendend, dan :
‘"Moed, jongens."’
‘"Moed,"’ antwoordde hij, ‘"ik moed hebben !"’
Nooit heb ik een dieperen indruk van het jammerlijke der menschelijke onmacht ; het somber verpletterende van 't wereldwee gevoeld.  Aan mijn gezellin, die hen in Rotterdam den dag te voren bezocht, had hij gezegd : ‘"Ik zal mij of wel verdrinken of naar Amerika gaan."’  Naar Amerika !  Hoe zou hij dat nu kunnen !
Arme vleugelgeknotte dapperen, arme welmeenende ouders, met hun te laat ontwaakt liefde- en levensbesef.
In ons vak zat een Hollandsche officier van de cavalerie met sporen aan en twee starren op zijn kraag.
Hij had het tooneel met de knapen gezien en van lieverlede alles gehoord.
Toen de trein wegschommelde, zei hij : ‘"Het ware een geluk voor die twee naar 't leger te mogen optrekken, ze zouden menschen worden,"’ en hij vertelde ons welk een onzeggelijk genot het was voor een officier dergelijke lummelachtige bedrukten, plomp, onhandig, als rekruten te zien aankomen — in vredestijd ten minste — ze te drillen, ze wakker te schudden, ze om zoo te zeggen tot een nieuw leven op te wekken, en ze recht, zelfbewust, kranig, met vaste stappen, na gekregen verlof, tijdelijk naar hun dorp te sturen.
Het toeval wilde, dat ik juist in het huis was van dien advocaat, toen hij uit Holland terugkeerde en de vader ook bijna gelijktijdig werd binnengeleid.  Daar zonk deze als ineengestort op een stoel, voor zich uitkijkend, hoogrood, lomp-boersch.
Het duurde eene wijle voordat hij waagde vragen te stellen :
‘“Welnu ?"’ zuchtte hij eindelijk, schuw als een dier, dat in den valstrik zit.
En de reiziger gaf bescheid.  Hij was geweest bij den dokter, belast met het voorloopig lichamelijk onderzoek der rekruten.  Hij had gezeid, dat de oudste der jongens aderspatten kreeg bij langen marsch en zich daarop beriep voor recht van vrijstelling.  Hij werd bruusk onderbroken : ‘"Dat geldt niet, hij moet optrekken naar Folkestone."’
‘"Ach, God, ach God !"’ jammerde de vader wrikkend op zijn stoel.
‘"Wat den jongsten betreft,"’ ging de spreker onverstoorbaar voort, ‘"die heeft kans en komt waarschijnlijk goed er uit.  Hij zal hier onderzocht worden."’
‘"Jamaar, jamaar, ik heb ze beide even lief, ik wil ze alle twee behouden, mijn arme kinders toch !  Geen een wil ik missen."’
‘"En denkt ge,"’ vroeg de vriend, die begon ongeduldig te worden, ‘"dat alle ouders hun zonen niet even liefhebben en even ongaarne missen als gij ?  Hoevelen moeten er niet uit huis en haard ?  Is het niet een buitengewoon geluk voor u er een te kunnen redden ... misschien,"’ liet hij er op volgen.
‘“Misschien !"’ kreet de bloodaard, ‘"ge zegt misschien! Is het niet stellig dan ?  Ge hebt toch zeker wel redens doen gelden, die gunstig voor hem zijn ?"’
‘"Ja, ik heb gezegd, dat hij minderwaardig is van intellectualiteit."’
‘"Goed, goed,"’ knikte de boerenheer.
Ik kon mij niet onthouden van te lachen over het dramatisch-comieke van dat gesprek.
‘"Dat hij nauwelijks lezen en schrijven kan, met een woord, dat hij aartsdom is.’
‘"Ja, ja, en waar zijn ook,"’ verzekerde de man, ‘"en ge hebt toch ook verklaard, dat hij een kiekensborst heeft."’
‘"Een kiekensborst, dat heb ik gezegd en dat geeft recht op vrijstelling."’
‘"Goddank,"’ zei de man en voegde er aan toe als een gewichtiger overtuigingsstuk : ‘"ik heb er ook eene, een kiekensborst."’
In eens schoot de dame des huizes, een eigen nicht van hem, op : ’"Zijt ge niet beschaamd uw eigen kinders aldus in de meening van anderen te vernederen, lafaard, die uw zonen als lafaards hebt opgekweekt ?"’
Haar man kwam haar thans ter hulp.
‘"In Holland kreeg ik brieven te lezen van jonge Belgen, uit het front, vol geestdrift en vol moed, vol levensverachting; neem daar een voorbeeld aan, lamlendige."’
Het scheen niet door te dringen in dat gemoed. Een stilte volgde. Toen vertelde de huisheer, hoe Paul Lippens aan zijn dood gekomen was ; Hij ging over een brugje om iets aan een reflecteur in orde te brengen en kreeg een schot in den nek, een van die verdwaalde kogels, zooals de Duitschers er bestendig, zonder mikken naar hun vijanden afvuren.  Hij liep naar zijn woning, sterk de hand op de wond drukkend.
Van 't eerste onderzoek werd de toestand door de heelmeesters als hopeloos verklaard.
Koning Albert kwam hem bezoeken en reikte hem het ridderkruis van de Leopoldsorde.
Hij bezat nog de kracht om zijn vorst toe te lachen.  Een ontroering deed ons aan.
Toen sprak de vader van het bewuste tweetal : ‘"Dat zal hem weinig gebaat hebben, hè, als hij sterven ging !”’  En nu volgden verontwaardigde uitroepingen van de aanwezigen.
‘"Ha! rekent ge dát voor niet, wanneer een dappere als ingenieur Lippens zijn vrouw en zijn drie kinderen verlaat ten bate van het vaderland, als hij groothartig zijn leven opoffert, ge vindt het geen troost, geen voldoening voor een zoo hoogstaande natuur, als een ander dappere, de koning, hem hulde en dank bewijst !"’
‘"Als mijn eigen kerels er maar goed van afkomen,"’ zei de laag bij den grond kruipende, afscheid nemend, zonder een woord van erkentelijkheid aan zijn gedienstigen neef.

2 december 1918.

Al mijn dierbaren uit het leger zijn teruggekeerd.  In vele familiën is het niet zoo : de krijg heeft leemten in de groepen geslagen, heeft vele dorpen verwoest.
Nevele, mijn geboorteplaats, is erg toegetakeld, het huis mijner grootouders, het huis waar mijn zuster Rosalie stierf, is schier gansch verwoest, naar verluidt.  De toren ligt op 't kerkhof, ook de omliggende dorpen van Landegem en Vosselaere hebben veel, en onherstelbaar geleden.  De mooie kerk in deze laatste kleine gemeente, dagteekenend van de 12de eeuw, met haar achthoekigen, zes en vijftig meter hoogen toren ligt in gruis.  De legende wil, dat zij door de Tempelheeren gebouwd is niet met mortel maar bij middel van roggebrood.  Het dorp Meigem bestaat schier niet meer.
Echter niet alleen stoffelijke schade is te betreuren : ook in de harten der menschen heeft de krijg veel goeds verdelgd, woeker en bedrog heerschen algemeen.  Gruwzaamheid, vrees en lafheid vervangen moed en naastenliefde.
Een feit — volkomen waar — heeft mij bijzonder getroffen : Nevele ligt op de vaart van Deinze naar Schipdonck.  De Duitschers hadden het dorp nog niet verlaten maar zich achter de brug — nog niet opgeblazen — teruggetrokken.
Vier mitrailleurs waren in de Thieltstraat achtergelaten.  Deze moesten de eerste vijandelijke verkenners beschieten.  Ze waren gelogeerd in het huis mijner overleden zuster, dat door hare kinderen nog open gehouden wordt.  Beleefde jongens, de een vooral, een dikke, die een joviaal karakter had en steeds bereid was de meiden hulpvaardig te zijn.
Toen het dorp en ook de fabriek mijner verwanten, aldaar, deels in den oorlogsbaaierd waren te gronde gegaan, de bewoners schier alle gevlucht, toen geen der overgeblevenen zich voortaan buiten 't huis dorst wagen, lagen ze achter de vijf treden hooge straatstoep op loer naar de eerste patroeilje der geallieerden, die uit het naburig dorp Poesele te verwachten waren.
Langs de achterdeur kwamen twee fransche soldaten binnen.  Ze hielden den vinger op den mond.  Wat zagen ze er uit !  Heelemaal druipend nat. Ze waren over 't land van den Borrelwal door de omheining gebroken, en daar de brug over de Poucquesbeke, welke den tuin in twee verdeelt, niet meer bestond, hadden ze tot aan schouderhoogte door 't water gewaad.
De een vroeg fluisterend aan de jongste meid, die wat Fransch kent, of ze langs de fabriek — ze moesten wel weten, waar ze zich bevonden — op de straat konden geraken.
Ze wees het hun, door hetgeen vroeger de poort en nu een open hol was.  De schuilplaats der loerenden moest hun ook verklikt wezen.  Ze slopen geruischloos naar de mitrailleurs, zonderdat deze met hun machiengeweren, gereed geschouderd, iets merkten of het hoofd omwendden.
Ze schoten op de vier hun geweren af, en trokken de stoeptrappen op en binnen het huis, dat nooit had mogen gesloten zijn sedert de bezetting.
‘"Ga kijken,"’ zei er een onverschillig tot de meiden: ‘"twee zijn er dood, twee bijna, ze zullen u geen kwaad meer doen,"’ en daarop lachten ze.
De meisjes dorsten niet.
De Fransche soldaten daalden weder de trappen af en verdwenen in de straat.
Jammerkreten werden hoorbaar ... er leefden er dus nog !  En toch draalden degene wier hulp werd ingeroepen.
Eindelijk voor schemeruur waagde de jongste het tot aan een kamerdeur te gaan, door het gat van een gebroken ruit het hoofd te steken en neer te kijken.
Ze zag hen liggen : twee roerlooze gestalten over elkaar gevallen, waar van onderen, thans geronnen bloed gezijpeld was ; een nog levende aan de slapen gewond en met afgeschoten knieschijf; de vierde de vroolijke dikke ... ach, een vreeselijk schouwspel: langs den rug was hij getroffen, op zij gezonken en de klomp van zijn ingewanden lag lillend nevens hem op de straatsteenen uitwijdend.
Ontzet vluchtte het meisje weg.
Buren hebben gezien, dat vervolgens aankomende soldaten — geallieerden dus — de erbarmelijke groep bemerkend, eenige stappen naderden, met de kolven van hun geweer op de overledenen en de levenden stampten, hun een schop gaven of met de bajonnet een steek toedienden.
Het geklaag houdt aan, geen bijstand wordt verleend ; de meiden halen geen dronk water, al roept een verzwakkende stem steeds ‘"Wasser, Wasser"’ en een andere wat als ‘"Mutter, Mutter"’ klinkt.  Ze durven niet buiten gaan.
Het geleek, vertelden ze later, op het gejank van opgesloten jachthonden, dat akelig smeeken, luid weergalmend in de stille donkerte van den langen nacht, zonder genade, zonder iemands erbarming op het uiterst noodgesmeek.
In den vroegen morgen is het uit met hen.  Ze liggen beide ook dood, nat in hun grijze uniformen op de natgeregende straatsteenen.
Ze worden niet begraven, ten minste twee hunner, die ter plaats bleven liggen gedurende verscheidene dagen niet, totdat de ontbinding hinderlijk is.  Dan zijn ze door belgische of fransche soldaten naar den tuin gesleept en aldaar in een ondiepen put gegooid en met wat aarde bedekt.  Een stok staat op de plek, waaraan hun medaillekens in den wind bengelen.
Ze zullen ontgraven en op het kerkhof gelegd worden en hun eenzelvigheidsbewijzen zullen de gezagvoerders van 't vierde leger in Duitschland krijgen, zoo dra er mogelijkheid toe bestaat.
Daarvoor zal wel de Nevelsche familie zorgen.
Alzoo iets doet de woede van het volk, dat toch zooveel geleden heeft en in het uitoefenen van gruwzame wederwraak verlichting zoekt.
Dat doet de oorlog, die bij onbeschaafden slechte gevoelens op wekt, zoudt ge geneigd zijn te denken. Maar bij dezen niet alleen, alle standen zijn er van aangetast : ik heb voorname dames gezien met een champagne beker Heidsieck tusschen de witte glacé vingeren, in keurigen tailleur, de fijne bottientjes vooruitgestoken op een Smyrnasch tapijt, waarvan eene, blozend van fierheidsheil, vertelde dat haar teruggekeerde zoon voor zijn part wel vijfendertig Duitschers had gedood.  Ik heb gehoord, dat die dames juichten en bemerkt, dat er eene haar roomer neerzette om in haar handen te klappen.
‘"Het is verschrikkelijk,"’ kon ik niet nalaten te zeggen.
‘"Een geval van wettelijke zelfverdediging,"’ sprak de moeder naar mij toegekeerd.
‘"Wij weten ’t ; maar dat juist is het verschrikkelijke er van, de toestand, die zulks vereischt is het.  Ge zoudt er bij weenen van wereldsmart."’
Ik heb in dat zelfde gezelschap, tijdens dat zelfde bezoek, nog iets ergers bijgewoond, weerzinwekkend, dit: de slechte vrouwen, welke met de Duitschers liepen, worden op de straat door de soldaten der verbondenen aangepakt, hun haar afgesneden en een herkenningsstempel op de wang gedrukt.  Er werd ter plaats verteld, dat eene dezer 's avonds te voren in eene kroeg was medegesleept, ook het haar afgesneden, naakt ontkleed, met smeerig roet was zwartgemaakt en aldus in de nachtkoude de straat was opgejaagd.
De dames lachten giechelend, jubelden, vonden het een goede grap ...  Helaas, helaas ! Welke geestestoestanden !
Van geen enkelen ingekwartierden heb ik te klagen gehad.  Wel was het lastig voor de meid : ongewaarschuwd kwamen er aan om 1 uur in den nacht, om 3 uur, tot om half 5 in den morgen. S oms moesten ze drie, viermaal aanbellen, voordat ze wakker werd.  Ze gingen 's avonds uit, kwamen laat in.  Ze moest de deur openen, daar ze eerst, op hun beleefde aanvraag er naar, geen sleutel kregen.  Dat kon niet aldus.  En toen ze er een hadden, kwamen ze zoo voorzichtig thuis, dat het slot nauw hoorbaar reutelde en hun stappen langs de trap schier tot het onhoorbare gedempt waren.  Ze namen hun maaltijden in den mess der officieren en dankten bij het henengaan voor goed onthaal, alles na hun vertrek onaangeroerd en onbeschadigd latend.   (…)
En nu is het aldus. De stad heeft haar gewoon uitzicht met dit verschil, dat overal in plaats van pingehelmde Feldgrauen, kakibruine krijgers rondlopen met een eigenaardige muts op het hoofd.
Wij bezitten de vooruitziende begaafdheid niet om onze toekomstige indrukken te voorspellen, we beheerschen ze niet, ze beheerschen ons. En wonderbaar genoeg : de vrede en de persoonlijke zekerheid komen nu voor als het natuurlijkste van de wereld, en ofschoon nog veel te verduren en te ontberen valt, schijnt het bijna, als of er nooit noch angst noch gevaar had bestaan.
Een laatste naklank uit den tijd van 't schrikbewind : na het vertrek der bezetting uit Gent, zijn in de oude casematen van de forteres in het Park niet min dan vijf en negentig opgesloten lijken van soldaten in ver gevorderden staat van ontbinding gevonden.
Men verliest zich in gissingen, aangaande het geval : zijn ze een natuurlijken dood gestorven, aldaar gebracht in afwachting der begraving, zijn ze in de ontreddering des aftochts vergeten of opzettelijk achtergelaten ?  Waren het muiters, welke weigerden naar het front te vertrekken, aldaar doodgeschoten, of zijn ze verhongerd, in hun afgezonderde spelonken, waaruit geen klacht tot de levenden opklimmen kon ? ...

Einde.

Virginie Loveling.    Gent 2 december, '18.