Menu

Totaalweigeraars vrijspreken

Totaalweigeraars vrijspreken


getuigenis Leo Apostel voor het proces rond totaalweigeraar Martin Van Kerrebroeck.

In de korte tekst die volgt wil ik uiteenzetten waarom ik als morele getuige denk te moeten optreden in het proces van totaaldienstweigeraar Martin Van Kerrebroeck. Als emeritus hoogleraar in de wijsbegeerte meen ik een poging te moeten doen de juridische autoriteiten duidelijk te maken waarom ze hier voor een principieel en niet voor een persoonlijk ethisch conflict staan.


1. het niet nakomen van een bevel, uitgevaardigd door een nochtans wettelijk bevoegde autoriteit kan, volgens de meeste ethici, soms een recht en in zekere gevallen een plicht zijn. De wijsgerige discussie is daarrond gaande sedert de middeleeuwen (recht op tirannenmoord in de moraaltheologie) en heeft haar juridische beslissing gevonden in de Nurenberg-processen.
De vraag die zich dus nu stelt is de volgende: is de totaalweigering van Van Kerrebroeck een ethisch te verantwoorden geval van weigering, een immoreel bevel na te komen? Ik denk van wel, en zal dit in de volgende argumentatie trachten te staven.

2. het instituut 'leger' door onze nationale staten in stand gehouden ter verdediging van de nationale onafhankelijkheid, is ofwel nutteloos en inefficiënt, ofwel als het bruikbaar in oorlogstijd kan benuttigd worden, moet het noodzakelijk zijn leden, soldaten op alle niveaus, een aantal waarden doen aanvaarden.
Onder deze waarden noemen we de volgende
1. Hiërarchisch denken in termen van leiders en volgelingen, meerderen en minderen;
2. Appreciatie van strijdlust, fysische en psychische kracht en sterkte;
3. Onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan bevelen van wettelijke oversten.
Er zijn andere waarden, maar deze keuze is voldoende voor onze argumentatie.

3. In de opvoeding die in een democratische rechtsstaat aan kinderen wordt gegeven, zowel in de familie, als op school worden noodzakelijk een aantal waarden overgebracht, ofwel op christelijke ofwel op vrijzinnige grondslag die, grotendeels gelijklopend, nodig zijn om als staatsburger van een democratische rechtsstaat te functioneren.  We noemen:
1. Egalitair denken, op basis van de gelijkwaardigheid van alle mensen;
2. Afkeer van en strijd tegen geweld
3. zin voor onafhankelijkheid en persoonlijke autonomie en kritiek.
Ook hier zijn er veel meer maar opnieuw volstaat deze keuze voor onze argumentatie.

4. Het kan niet anders dat, onder de besten van deze jongeren, vroeg of laat de tegenstrijdigheid tussen deze waardesystemen duidelijk wordt. Vermits het doel primeert op zijn middel (de rechtsstaat op het leger) en dus de kort genoemde 'egalitaire waarden' zullen primeren op de kort genoemde 'disciplinaire waarden' kan het niet anders dan dat bij deze jongeren het voor de militaire efficiëntie noodzakelijk waardesysteem als immoreel zal worden verworpen.

5. Dit maakt het dus voor hen tot een ethische, dwingende plicht iedere legerdienst te weigeren en tegen de 'disciplinaire' waarden te strijden.

6. Nu zullen de juridische overheden misschien menen dat ze dit protest voldoende tegemoet komen door de instelling 'burgerdienst'. Dis is echter, in feite, niet het geval om de volgende reden.  Door burgerdienst te vervullen neemt de jongere eigenlijk impliciet het volgend beginsel aan. “Omdat ik mijn legerdienst niet vervul, moet ik een compensatie leveren aan de maatschappij, inde vorm van burgerdienst”. Dit komt echter bij hem als volgt over. "Omdat ik een immoreel bevel (namelijk mij te gedragen als soldaat en dus de immorele 'disciplinaire' waarde te aanvaarden, die ik, op grond van mijn 'egalitaire' waarden verwerp) niet naleef, is de staat gerechtigd mij een ander bevel te geven dat ik wel moet naleven". Op deze bedenking reageert hij als volgt. "Door mijn burgerdienst als een tegemoetkoming  aan hogerhand te vervullen, help ik de immorele instelling 'leger' in stand te houden. Vermits het mijn plicht is te strijden tegen immorele instellingen, mak ik dus mijn burgerdienst niet vervullen."
We herhalen het: de jongeren in kwestie zijn geen deviante revolutionairen die de maatschappelijke orde op grond van arbitraire beginselen willen wijzigen, maar slechts personen die, grondiger moreel dan anderen, wat hen in hun opvoeding is meegegeven trachten te realiseren.

7. Deze redenering, die natuurlijk een grote ethische gevoeligheid en een uitgesproken persoonlijke moed veronderstelt, wordt echter nog dwingender, als men begrijpt dat met het huidig vernietigingspotentieel der mensheid, iedere globale oorlog (en iedere Europese oorlog waarbij België betrokken zou zijn is noodzakelijk een globale oorlog) de zelfmoord der mensheid zou betekenen. De vroeger door de jongeren in kwestie gemaakte overwegingen worden nu nog aangevuld met de volgende. "Er kan nu geen rechtvaardige, globale oorlog meer gedacht worden. Iedere globale oorlog is op dit ogenblik immoreel. Als dit zo is dan is ook iedere instrument, voorbereid met het oog op zulke oorlog immoreel. Dan echter is de instelling 'leger' in deze historische situatie ook om die reden immoreel. Dan is dus iedere participatie, in welke vorm dan ook, aan het in stand houden van dit leger, immoreel. Dus kan er in geen enkel opzicht een plicht bestaan om prestaties te leveren, omdat men weigert deel uit te maken van zulke immorele instelling."

8. Er bestaat echter hier een duidelijk conflict tussen vigerend recht en moraal. De vraag voor de juridische autoriteiten is dus: hoe zich tegenover deze situatie te gedragen? Als niet-jurist kan ik hier slechts gissen. Mijn indruk is echter de volgende: het rechtsbewustzijn der volkeren is zoals de geschiedenis aantoont, geen invariabele constante. Zoals de collectieve reacties van honderdduizenden mensen tonen, is op dit ogenblik dit rechtsbewustzijn in sterke evolutie wat de verschijnselen 'oorlog' en 'leger' betreft. Van de noodzakelijke kwaden die ze vroeger schenen te zijn, worden ze nu incarnaties van het radicale kwaad, verbonden met de ondergang der mensheid.

Ik ben van oordeel dat, gesteld voor deze evolutie van het rechtsbewustzijn, en op basis van de in een rechtsstaat onwrikbare prioriteit van de egalitaire boven de disciplinaire waarden, de rechterlijke macht vroeger of later (maar ik hoop vroeger) zich tot uitdrukking zal maken van wat in de gewetens leeft, en totaalweigeraars zal vrijspreken.


Leo Apostel
 (1925-1995)

Uit het boek "Plicht, wat plicht, niks plicht" over het proces tegen totaalweigeraard Martin Van Kerrebroeck.