Menu

wat normaal laakbaar is wordt nu een deugd

wat normaal laakbaar is wordt nu een deugd

 “t geen anders in 't gewone leven laak- en strafbaar was, wordt hier als de hoogste menselijke deugd aangerekend.(Stijn Streuvels)

 

W.O.-I bracht voor Streuvels niets dan ellende. De gevierde Vlaamse schrijver (1871 - 1969) luisterde vanuit zijn Lijsternest naar het oorlogsgedonder vlakbij. De oorlog deprimeerde hem en verlamde zijn creativiteit. Bij het begin van de vijandelijkheden vluchtten zijn vrouw en kinderen naar Amsterdam (van oktober 1914 tot februari 1915). Streuvels volgde in december. De hele oorlog lang hield hij een dagboek bij dat in deeltjes bij zijn Amsterdamse uitgever L.J. Veen gepubliceerd werd. Al snel echter werd Streuvels hiervoor zwaar op de korrel genomen en werd hem duitsgezindheid verweten. Tot spijt van zijn uitgever stopte hij in februari 1916 de uitgave van het journaal. Vele jaren later, in 1972, verscheen het dagboek toch in extenso.

 

Enkele citaten die over vluchtelingen, lafheid en oorlogspropaganda gaan. Het volledige dagboek is op de site van de Digitale Bibliotheek van de Nederlandse Letteren (www.dbnl.org) te lezen.

 

 

15 september 1914 (blz 134-137)

 

In De Landwachtstaat het volgende: Krijgsraad.

 

De Krijgsraad van de vijfde legerafdeeling vergaderde in het Gemeentehuis te Ruysbroeck. Een aantal soldaten verschenen voor den raad onder betichtingen van allerlei aard. Vier kanonniers werden veroordeeld tot 15 jaar dwangarbeid, om bij het gevecht te Londerzeel (24 Augustus) een kanon verlaten te hebben, zonder te pogen het terug te nemen. Dank aan de dapperheid van twee officieren, viel het kanon niet in de handen van den vijand. Het strenge vonnis zal bepaald den soldaten tot voorbeeld dienen. Andere middelen werden voor smaad, bedreigingen, ongehoorzaamheid en om te loopen als de vijand afkwam, verwezen van 1 tot 3 jaar inlijving in eene strafkompagnie.

 

Heldenmoed en vreesachtigheid is ook maar een kwestie van zenuwen, verzekert men. La frousse kan een mens van goede wil overkomen en hem zodanig overmeesteren dat hij niettegenstaande de beste inzichten, laf wordt, omver valt of lopen gaat. Dat heb ik hier bij de burgerbevolking kunnen opmerken. Dezen die altijd 't hoogst opgelopen hadden met hun moed, heb ik zien vallen en kruipen als laffe hondjes, anderen, waarop niemand had durven rekenen, bleven kalm en beraden. De zaak is : dat men op voorhand niet weten kan welk figuur men zal maken en men het bij zichzelf eerst ondervinden moet eer men zeggen mag : ik zal mij sterk houden. Ik vraag mij echter af, hoe de mensen zich verantwoorden zullen die aan de schrik hebben toegegeven zonder er schijn van gevaar was ? Ik kan b.v. aannemen dat een burgemeester in moeilijke omstandigheden, de kop verliest en om geen verantwoordelijkheid te dragen, aan 't lopen gaat. Dat is verschoonbare lafheid, waarbij hij te kennen geeft aan zijn ambt te willen verzaken; maar dat die burgemeesters kalmpjes terugkeren als het schijngevaar voorbij is en doen alsof er niets gebeurd was en hun ambt weer opnemen, dat is hier alleen mogelijk ... omdat de burgerij niet nadenkt en er misschien politieke partij in gemengd is. Vandaag weer vindt men het nodig daarover een berichtje te verkondigen :

 

Over de burgemeesters.

 

De Patrie' van Brugge schrijft een goed beredeneerd artikel over burgemeesters en gemeenteraadsleden die, zoodra zij eenig gevaar vermoeden, door schrik hunne gemeente met haast ontvluchten, als het hunne plicht is te handelen gelijk een zeekapitein die maar zijn schip verlaat als alle hoop opgegeven moet worden. Maar de Patrie' doet ook opmerken dat men als vluchtelingen niet mag aanzien burgemeesters, schepenen en gemeenteraadsleden die, aan hunne plicht getrouw, slechts hunne gemeente verlaten als bijna al de inwoners ontvlucht zijn en er geen middel meer bestaat hunne medeburgers te beschermen. Men kan toch niet vergen dat zij bijna alleen in hunne stad verblijven en zich alzoo aan den vijand overleveren om als gijzelaars te dienen en soms om gefusiljeerd te worden. (Het Volk, 15 september).

 

Het geldt niet alleen burgemeesters; ik denk aan die onderpastor van Elsegem, die op de vermaarde Vliegende Maandagop een hoeve vluchtte, er zijn toga afwierp en ze deed verbranden eer hij met de kleren van de boer uitzette !

- Men vertelt ook dat, toen de geestelijkheid van Deerlijk door de Duitsers opgevorderd werd om bescheid te geven over de aanval op de verkenners, de pastor noch zijn twee onderpastors nergens te vinden waren ! Een ervan heeft eerst twee dagen later durven uitpiepen. Integendeel hoort men elders van wondere vastberadenheid bij geestelijke en wereldlijke overheid, die soms voor gevolg heeft dat een hele gemeente aan de ramp ontsnapt. Er zijn er zelfs die, bewust van de waardigheid en de plichten van hun ambt, liever hun leven lieten dan een stap te wijken.

Dat er uit vrees om ongemakken te voorkomen ongeoorloofde dingen gebeuren, zelfs door heel brave lieden, is ook gemakkelijk aan te nemen. Ik vind hier weer een berichtje waar er melding van wordt gemaakt :

 

Aandachtig lezen. - In West-Vlaanderen.

De heer arrondissementskommissaris heeft het volgende bericht medegedeeld :

 

Waarschuwing. - Ik heb vernomen dat in gemeenten van mijn arrondissement landbouwers en bijzonderen, vijandige soldaten in hunne schuren of andere plaatsen verborgen gehouden hebben. Dergelijke handelwijze is hoogst laakbaar, en moet beschouwd worden als een verraad jegens het Vaderland. Daarom laat de heer kolonel-bevelhebber van het 5e korps vrijwilligers mij toe u kenbaar te maken, dat alle persoon bevonden wordende vijandelijke soldaten verborgen te hebben, zal beschouwd worden als spioen en veroordeeld worden volgens de oorlogswetten.

 

De arrondissementskommissaris,

Baron Van der Gracht d'Eeghem.

 

Nota. Dergelijke waarschuwing is toepasselijk voor geheel het land.

 

Dat noem ik : de oorlogs-opvoeding maken van een volk ! Eerst als er op de eigen streek iets gebeurt, dat men ter plaatse kan nagaan, ondervindt men hoeveel onzin er in de bladen gedrukt wordt en hoeveel vertrouwen men nog hebben mag in 't geen men leest. Er zijn echter verschillende oorzaken die deze toestand verklaren. Vooreerst is de pers er niet altijd op gesteld de nauwkeurige waarheid te geven en de voorvallen aan te halen gelijk ze gebeurd zijn. De handeling van de vijand moet in 't zwart uitkomen en moed en vaardigheid van onze soldaten moeten in 't licht gebracht. Er zijn nog meer andere oorzaken die de oorlogsreportage bemoeilijken; o.a. als het geval reeds aan het blad overgemaakt wordt, is er nog niemand die weet hoe de de zaak zich heeft voorgedaan. Niemand kent de ware toedracht om de goede reden : als ergens een schermutseling begint, het merendeel die er bij tegenwoordig zijn, nemen de vlucht en de overigen verliezen de kop en weten niet wat er gebeurd is. Men denkt er echter niet aan hoeveel onrust en schrik veelal veroorzaakt worden door die leugenachtige berichten.

 

In een groot weekblad : 't Getrouwe Maldeghem (daar heeft men ten minste tijd om bevestiging van het nieuws te eisen?) kreeg ik het relaas over de slag te Doornik ... Het heette er :

De veldslag van Avelgem ! Volgens de berichtgever was heel de streek langs de Schelde geplunderd en platgebrand; er was kwestie van niet minder dan stromen bloeds over heel de doortocht, alhoewel de blote waarheid luidt : dat er buiten Doornik zelf, geen schot werd gelost en hoegenaamd geen slag werd geleverd. Mijn familie in Brugge, waar men dit stuk gelezen had, was niettemin in doodsnood over 't geen ons was overkomen !

Over de gebeurtenissen te Deerlijk drukt een Gents blad het volgende. Men kan zich hiermede een gedacht vormen in welke toon onze volksbladen werden opgesteld en hoe men moedwillig de feiten verdraait.

 

In 't Kortrijksche.

 

De doortocht der Duitsche troepen in de omstreken van Kortrijk werd gekenmerkt door nieuwe ongehoorde gruweldaden. Zooals wij verleden week gemeld hebben, werden Dinsdag te Deerlijk vier uhlanen gedood door een peloton gendarmen en vrijwilligers. Drie dagen nadien verscheen opnieuw eene Duitsche patroelje in de gemeente Deerlijk en daar zij met een 35-tal mannen sterk was, waren de Pruisen veel stouter en drongen door in de richting van Kortrijk. Eene Belgische patroelje, verwittigd, trok de Duitschers tegemoet en eene hevige schermutseling had plaats. De vijandelijke patroelje had verscheidene dooden en gekwetsten en om zich te wreken vielen zij de bewoners van Deerlijk aan, staken verscheidene hoeven in brand en deden de jonge mannen voor hen marcheeren,

De genaamde Deghezelle werd door een Pruis gedood, omdat hij weerstand bood. De ongelukkige werd door eenen kogel in volle borst getroffen en was op den slag dood. De Duitschers trokken vervolgens naar Harelbeke en Zwevegem. Te Harelbeke staken zij insgelijks talrijke hoeven in brand en te Zwevegem eischten zij levensmiddelen.

De patroelje die door Zwevegem trok, wilde zich rechtstreeks naar Kortrijk wenden, doch slecht bekwam het. In de nabijheid van den molen van landbouwer Soete, werden de Duitsche barbaren onthaald op geweerschoten van eene patroelje gendarmen. Vier Duitsche uhlanen vlogen uit den zadel en werden gekwetst. Hunne paarden werden buitgemaakt en naar Kortrijk gebracht; de overblijvende uhlanen hadden zich uit de voeten gemaakt. Deze vluchtelingen drongen in de hoeve Vermeulen en met den revolver in de hand dwongen zij den landbouwer te zeggen wie op hen geschoten had, indien het vrijwilligers, gendarmen of burgerwachten waren.

Tweemaal hernieuwden de uhlanen hunne vraag en de landbouwer kon geen stellig antwoord geven, daar op het oogenblik dat er geschoten werd, hij op zijn land aan den arbeid was en spoedig naar huis was geloopen. De Duitschers maakten daarop rechtsomkeer en vervolgden hunnen weg.

Een 16-jarig meisje, de dochter van den smid Verheust, wonende op het gehucht van den molen Soete, stond op den dorpel harer deur, toen de eerste schoten werden gelost. Het meisje werd door eenen kogel in den onderbuik getroffen; erg gekwetst werd de ongelukkige naar het gasthuis gebracht, waar zij bezweek. Tijdens de schermutseling die plaats had aan de Vogelmarktwerden twee nieuwsgierigen, die de Duitschers achtervolgden, gekwetst, doch gelukkiglijk niet erg.

 

 

 

27 september 1914 (blz 159 - 161)

 

Een schone zondagmorgen ! Met twee vrienden, die mij komen ophalen, rijden wij in fiets naar Oudenaarde. Prachtig zonneweer, windstil, heerlijke wegen, vol goed en genoegelijke herinneringen uit de jeugdtijd. Te Petegem ontmoeten we de eerste schildwacht en we moeten onze papieren vertonen. Wij vernemen dat in Oudenaarde Belgische soldaten liggen, dat men er loopgrachten maakt, de Schelde bewaakt en de bruggen ondermijnt ! Al dingen die ons aanzetten te gaan zien. Bij 't inkomen der stads reeds, wordt ons verboden te rijden - men moet te voet gaan. In de stad is alles rustig, stil en zonder beroering. In de Gouden Appeldie gekend is om zijn welverzorgde en lekkere tafel, kan men ons niets anders opdienen dan een stuk gebraad. We zijn er de enige klanten. 't Is hier dus ook oorlogstijd ! In de namiddag gaan we de versterkingen zien. Door een vriend uit Oudenaarde, worden wij voorgesteld aan de Bevelhebber der plaats, die zo vriendelijk is ons rond te leiden en ons te woord te staan.

 

Mijn mening echter is, dat de ledige haringtonnetjes die hier langs de Schelde zijn opgesteld, een flauwe verschansing vormen en niet veel Duitsers de weg zullen versperren ! De vrijwilligers die hierbij de wacht houden, zien er uit als figuranten in een blijspel, zo wijd zijn hun nieuwe kleren ! En die loopgrachten langs Ename ? Ofwel is hier iets ophanden, of het dient enkel om de jongens te oefenen ? De inwoners van Oudenaarde maken echter 't onderscheid niet en blijven vol onrust, gereed om te vluchten. De bevelhebber doet vreselijk zijn beklag over de bevolking. Deze morgen nog, waren er Duitsers op gang naar Oudenaarde, maar door de inlichtingen die de burgers hun verschaft hadden, zijn zij een andere weg ingeslagen en verdwenen. De bevelhebber, die zienling spijtig is dat hem de kans ontnomen werd, met zijn jongens een slag te slaan, doet vooral zijn beklag over de vrouwen. Ik doe hem het voorstel de klappeien de tong te laten afsnijden. - Dan nog zouden ze niet ophouden te babbelen!, merkt hij ironisch.

 

't Geen wij hier zien, is werkelijk niet de moeite waard, maar men krijgt toch de indruk dat het slagveld zich uitbreidt als een olievlek en de uiterste randen nu ook al tot hier uitzetten. Geen mens kan de Schelde over, zonder zijn papieren te laten zien. In 't terugkeren geraken wij zelf in moeilijkheden met een wacht, die, naar het schijnt, ons pasport niet lezen kan. Een gemoedelijke gendarm van de streek, brengt de zaak in orde. Nu staat de jonge vrijwilliger, die ons eerst met 't ergste bedreigde, zelf verlegen; hij doet mij de indruk van een van die geïmproviseerde wachters die men opstelt in een wereldtentoonstelling; brave jongens die men ergens opgevist heeft voor de gelegenheid en die als prestige, niets anders bezitten tenzij hun fonkelnieuw uniform en een ordenummer. De gendarm integendeel is een goede, gedaagde, landelijke kerel die zijn plicht volbrengt als een boerenknecht, zonder verwikkelingen te zoeken waar ze niet nodig zijn. Hij schijnt er niet mede in zijn schik omdat hij voor 't eerst zoveel jeugdige onderdanen onder zijn bevel heeft. Hij staat er midden in als een vader die bang is zijn gezag te doen gevoelen op kinderen die te groot geworden zijn !

 

De wezens van die jonge vrijwilligers zijn ook belangrijk om na te gaan. Op goed geluk zijn die knapen hier bijeengevallen, hun getienen, op dat buitendorp; zij kennen elkaar niet, zijn verschillend van aard, stand en gezindheid. Wat moeten zij ondervinden, dezen die in een ogenblik van blakende geestdrift hun leven en bloed voor 't Vaderland verpand hebben in 't gedacht te mogen gaan strijden met de menigte - te oorlogen! - en ze hier, die zondagavond verdoen met voorbijgaande burgers te vervelen en 't gevaar van een aanval trotseren moeten onder bevel van een gemoedelijke gendarm ?! Wat al ontgoochelingen zullen ze opdoen, die jongens ! Welk een verschil bij 't leven van een soldaat bij 't leger ?! Ik denk nu aan die talrijke zonen uit de gegoede burgerstand, die uit hun geregeld en bezorgde huiselijkheid, plots gevallen zijn in de drukte van een kamp. Alle teergevoeligheid, alle verzorging afgeschaft en de dag door in de gemeenzaamheid met een onbekende menigte waar al de soorten in vertegenwoordigd zijn ! Opgewekt bij stonden en meegesleept als in een stroom en dan weer overgelaten aan zichzelf en in de gelegenheid om na te denken aan 't geen men verlaten heeft ! Er zijn er die bang zijn van aard, die beven voor 't gevaar dat komen moet en zich stout gebaren uit eergierigheid, om niet als lafaards beschouwd te worden. En de onzekerheid over 't geen alle dagen gebeuren kan; 't gevoel dat men zijn wil volledig heeft afgestaan en gehoorzamen moet wat ook het bevel zij ! En als dat nu weken en maanden duurt, zonder uitkomst ! Hoe moeten ze dromen 's nachts, die jongens, dat ze weer thuis in hun normaal leven zijn teruggekeerd en hoe moeten ze pijnlijk getroffen worden door de werkelijkheid, bij 't ontwaken ! Hoe dikwijls moet de verwende burger de bovenhand krijgen boven de soldaat en moeten die twee elkaar bezien als personen die met elkaar geen uitstaans hebben !

 

De Zeppelin van verleden nacht heeft zijn bommen geworpen te Deinze ! Waarom hij deze plaats uitgekozen heeft en er schade aanrichten moest, is niet gekend ?

 

 

13 oktober 1914 (blz 192 - 197)

 

Grijs, bewolkt, koude regen, vliegtuigen, kanongeschut, eenzaamheid, geen mens langs de baan, geen nieuws hoegenaamd, ook niet van mijn huisgenoten ! Ik weet niet of ze in Brugge zijn, in Holland, of in Engeland ! Als ze maar thuis waren ! Nu kan ik niets anders doen tenzij blekken op het weer en pijpen roken, zonder einde ! Ik wist niet dat een oorlog zulke verveling kon meebrengen. Om mij wat te verstrooien ga ik mijn oude agenda's te rade en zoek er na 't geen in die zelfde oktobermaanden van de verleden jaren al is voorgevallen. Gelukkige tijd toen wij onbewust van de vrede genoten en niet wisten dat een oorlog kon bestaan! en onze gedachten enkel in de richting van 't open, brede leven opschoten ! Wie weet, komt voor ons wel ooit die schone tijd terug ?

 

Ik wil aan de nood voldoen om uit de eenzaamheid weg te komen, mensen te zien en te spreken. Door 't vuile herfstweer, wandel ik naar Tiegem. Daar ook echter wacht mij een desillusie en 't is 't geval te zeggen met Thomas à Kempis : Telkens ik bij de mensen ben geweest, ben ik minder mens teruggekeerd ! Alles slecht nieuws wat men verneemt over de toestand, vergezeld van klachten en treurnis. Men ziet er niet klaar in en men kan niet raden wat het worden moet ! Zijn die Duitsers dan almachtig en onoverwinbaar dat ze tegen drie, vier landen oprukken en niemand ze tegenhouden kan ? Er is geen front of slaglijn meer, - de Duitsers rukken op langs alle kanten. Antwerpen is gevallen en hun formidabele raid, waarvan sprake was, is reeds uitgevoerd. Onze soldaten integendeel zijn ontmoedigd - het was een lamentabele aftocht van Antwerpen tot Duinkerke! een vlucht ! Vroeger reeds werd er gefluisterd dat onze officieren niet deugden; nu wordt het luidop gezegd en de brieven van veel soldaten getuigen dat het er heel slecht mede staat - de troepen zijn erdoor gedemoraliseerd !Onze oversten zijn goed om champagne te drinken, schrijft een soldaat, - ze delen hun bevelen uit van ver, of per auto, en zogauw we in 't vuur komen, zijn ze vertrokken en wij aan onszelf overgelaten. Als we 't niet meer houden kunnen en terugkeren, worden we onthaald met een scheldwoord en een vloek : tas de lâches! roept men dan ! Een andere schrijft : dat de fout is omdat onze officieren niet voortkomen uit de kaders - 't zijn heren-kinders die nooit aan oorlog hebben gedacht en vol theorie zitten maar verder niets aanhebben tenzij hun gouden epauletten en veel misprijzen voor de eenvoudige piot ! Ze hebben nooit anders gedaan dan sport met peerden- en vrouwenliefhebberij ! - De toon waarop de jongens schrijven is bitter en de ontgoocheling straalt door hun woorden. Ik kan 't me genoeg voorstellen wat ze gevoelen en met welke vreselijke ironie ze hun idealen zien verdwijnen. Neem nu maar een gewone boerenjongen die men van zijn werk roept, die alles moet laten staan om te gaan vechten voor iets waarvan hij de reden of de oorzaak niet raden kan. Men stopt hem vol met grote woorden over: heldenmoed en vaderlandsliefde; hij gaat erin op en geraakt in begeestering totdat hij, in volle strijd, de ondervinding opdoet dat de overheid, in wie hij de incarnatie meende te zullen zien der militaire deugden, aan haar plicht tekort komt en schuilen gaat voor 't gevaar ! Zulk een jongen gevoelt op de stond dat hij gefopt werd en daar het hier staat op leven of dood, laat hij de moed vallen, wordt ongewillig of wanhopig en betracht niets anders dan ermede gedaan te maken ! Wanneer zullen we er eens toe komen een sterk verbond te krijgen van mannen die weigeren te doden, zonder dat 't hun als een lafheid wordt aangerekend ?! Dan misschien zullen de mogendheden naar andere middelen uitzien om hun geschillen te vereffenen, en de algemene moorderij vermeden worden ! Nu en dan voelt een land wel eens de noodwendigheid om de grondwet te herzien, tijd en omstandigheden brengen dat mede, - zou 't niet goed zijn, ook eens, over de hele mensheid de betekenis te herzien en de innerlijke waarde van sommige burgerlijke deugden ?

 

Er zijn woorden waarvan de betekenis door de tijd verandert en verwisselt; zo ook is het gesteld met gevoelens en zedelijke hoedanigheden. Enkele blijven hun innerlijke waarde behouden door de eeuwen heen, waarvan de naam en de zaak overeenkomen; andere echter blijven niets dan hun naam behouden als de innerlijke waarde sedert lang is weggevallen. Alzo sleuren wij dingen mede in onze beschaving die niets zijn dan overblijfselen uit de barbaarsheid, - niets zijn dan nutteloze ballast en idiote anachronismen ! Neem nu maar een feit dat enig is in zijn verschijning : een mijnheer die paradeert met goudborduursel aan de klederen, die een mes draagt langs zijn been en die, al naar gelang hij gouden sterretjes heeft op de mouw, zijn morgue een graad hoger opblaast en daarom al de burgers die geen goudborduursel op de kleren dragen, voor hem doet uit de weg gaan ! 't Is maar omdat we 't zo gewend zijn, dat niemand het belachelijk vindt of barbaars en toch doen de opperhoofden der roodhuiden en der Sioux net het zelfde. De oorlog is misschien een noodzakelijk kwaad, maar dat er in onze tijden en met onze beschaving, mensen in het vak opgeleid worden en er hun eer in stellen, dat is uit de barbarentijd, bij ons overgebleven.

 

Sommige dingen zijn maar goed als men ze van zeer hoog beschouwt of als men er alleen de literatuur van kent. Veel burgers onderander, laten er zich nog door medeslepen; zij jubelen bij elke victorie die wordt aangekondigd en juichen de heldenmoed toe waarmede er gestreden wordt; maar zich een gedacht vormen van de verschrikking en de ijselijkheid of wat het te zeggen is als men in een blad leest : er zijn 10.000 gesneuvelden, of de strijdlijn heeft zich 15 kilometer verplaatst, daar hebben zij geen flauw begrip van en ze denken er niet eens aan - het blijft literatuur voor hen en aan 't blad dat ze in hun hand houden of aan 't berichtje dat hun 't goede nieuws verkondigt, kleeft er gelukkiglijk geen bloed, anders zouden ze omver vallen want zij erbarmen zich en weeklagen soms over 't lot van een muisje dat in de val is gelopen of over een duifje dat men slachten wil ! Er blijft een aureool, een schitterschijn om veel dingen die in hun aard niets anders zijn dan gruwelen - en zoiets is de oorlog. Hij wordt opgesmukt met de blinkendste oripeaus - en 't geen anders in 't gewone leven laak- en strafbaar was, wordt hier als de hoogste menselijke deugd aangerekend. Als het ding maar op een behoorlijke afstand gebeurt, gaat het nog al om er de roes van op te snuiven.

 

Men volgt de handelingen van ver, stelt er belang in als bij 't beslechten van een wedstrijd. Veilig en warm gezeten bij tafel, is men in de weer met landkaarten en kleurvlaggetjes die de stand der verschillende legerkorpsen aanduiden. Men vindt het vervelend als er een hele tijd niets bijzonders gebeurt en men juicht als men ineens de lijn een 100 kilometer mag verplaatsen. Niemand die daarbij denkt wat er gebeurt of wat het te zeggen is - ook voor de brave burgermensen die hun woning, hun have en goed liggen hebben tussen die 100 kilometers. Een stad wordt beschoten of ingenomen. Men is er alleen mede bemoeid te weten of het bericht officieel bevestigd wordt en men stelt zich de uitslag voor als een feest met blijde optocht waar de soldaten als helden begroet, hun blijde intrede zullen doen ... het bloed en de verrotting blijven ginder ver - de lijken worden met aarde bedekt en men zal een prachtig gedenkteken oprichten te hunner nagedachtenis met een opschrift : Aan de moedige strijders die vielen voor het Vaderland !

 

Een nieuw hoofdstuk in de leerboek der kinderen waarbij de meester van de gelegenheid zal gebruik maken om de edele gevoelens te doen ontwaken bij zijn leerlingen opdat zij, aan de ouderdom gekomen, met eer en blakende moed, het erfdeel van hun vaderen gestand, op hun beurt, hun leven zouden offeren en met fierheid ten strijde trekken. En zo gaat het maar door, terwijl men vredepaleizen bouwt en socialisten schreeuwen tegen dienstplicht en de miljoenen die verkwist worden en de jeugdige krachten verlamd door het ministerie van oorlog ! Ik ben maar benieuwd te vernemen hoe onze huidige generatie - de mensen die het théâtre de la guerrevan nabij hebben gezien, hoe die er zullen over spreken ? Hoe zij zullen oordelen over militaire deugden en 't idealisme van de ere-slachterij ? Welke gevoelens het zicht van een parade-regiment bij hen zal uitoefenen ? Hier ter plaats, waar er nog maar alleen mogelijkheid van gevaar is, kan men al raden wat het worden zal ! Men voelt reeds dat 't opperste van 't geen men bezit, - het eigen vel! - bedreigd is ! Hier zouden de mensen al 't geen ze bezitten, en zichzelf ermede, onder de grond wensen om aan de vernieling te ontsnappen ! Men hoopt en men vreest, want 't geen elders gebeurt, kan hier evengoed gebeuren ! Men denkt aan Leuven, Aarschot, Dendermonde, Lier, waar de bewoners ook kalm gebleven zijn en niets vreesden en waar alles nu plat ligt en iedereen op de dompel loopt.

 

Jammer dat de indrukken van smart zogauw vergeten zijn en bij 't eerste vernieuwen van 't normale leven de mensen weer aan hun genoegens gaan, zonder te denken dat 't geen ze eens geleden hebben zich weer opnieuw kan voordoen, zolang de oorzaak der kwaal niet weggenomen wordt ! Men zou denken dat er bij de mensen, natuurlijke grondwetten bestaan, die alleen dienen als eigen straf en waar toch niemand zoekt aan te ontkomen, omdat zij deel uitmaken en vastzitten in de grote, geheimzinnige wereldorde !