Menu

Deserteurs uit de oorlog - noch lafaards noch helden ...

Deserteurs uit de oorlog - noch lafaards noch helden ...

Het meest beknopte antwoord op de vraag wie die deserteurs zijn, was : “Ik beschouw als deserteurs al diegenen die ondergedoken waren of die op nog andere manier vermeden om wapens op te nemen, ook degenen die hun kazernes en eenheden verlieten, nadat ze de pure horror van de oorlog hadden meegemaakt." (1)



(uittreksel uit het boek: Women in Black - Zene u crnom (Ed), Women for Peace (pp 71-108). Belgrado: Zene u crnom. V. Oorlogdeserteurs en gewetensbezwaarden - bondgenoten in verzet tegen oorlog, militarisme, nationalisme … (pp 91-95))

In veel gevallen was hun beslissing om te vluchten een spontane keuze, vaak zonder politieke motieven : "Deserteurs delen niet noodzakelijkerwijs onze politieke standpunten, en sommigen waren niet eens pacifisten.  Echter, door hun daad van desertie stuurden ze een (semi-bewuste) boodschap uit.  Velen riskeerden hun leven door weg te lopen en de gesloten grenzen over te steken.  Deserteurs zijn noch lafaards noch helden.  Ze zijn gewoon mensen die ons helpen om te begrijpen wat de oorzaken en de gevolgen van oorlog zijn”. (1)

Het aantal deserteurs is tot op de dag van vandaag nooit bekendgemaakt, maar de cijfers variëren van 380000 tot een half miljoen.  De anti-oorlogsbeweging vraagt deze gegevens al sinds het begin van de oorlog op, maar de militaire en burgerlijke overheden weigeren om ze te verstrekken om de volgende redenen : het werd (n wordt) beschouwd als een militair geheim) en de openbaarmaking van deze cijfers is in strijd met de officiële lezing van het conflict, namelijk dat 'Servië niet in oorlog is'.  Want door officiële desertiegegevens bekend te maken zou Servië toegeven dat het JNA (dat overgenomen werd door het Servische regime) een aanvalsleger was en dat Servië aan de oorlog deelnam, omdat JNA-troepen massaal buiten Servisch grondgebied actief waren. (2)  

Tijdens de herfst van 1991 en de winter van 1992 organiseerde de anti-oorlogsbeweging een petitie voor een referendum over dienstplicht.  En alhoewel een enorm aantal handtekeningen werd verzameld, heeft het Servisch parlement dit verzoek nooit op de agenda gezet.  Trouwens, door het publiceren van de gegevens over het aantal deserteurs zouden de militaire en burgerlijke overheden de invloed van de anti-oorlogsbeweging in Servië hebben moeten toegeven, want die had actief desertie aangemoedigd en ondersteund. Veljko Kadijević, voormalig Joegoslavisch minister van landsverdediging (nu internationaal gezocht door het Joegoslavië-tribunaal - 3) zei dat het JNA drie vijanden had : “het pas opgerichte Kroatische leger, het misleide Kroatische volk en de gecoördineerde activiteiten van de vredes-en de moedersbeweging". (4 - 5)

Mannen weigerden dienstplicht om vele redenen.  Hier zullen enkel die vermeld worden die vanuit anti-militaristisch standpunt interessant zijn, namelijk 'weigeren om deel te nemen aan een aanvalsoorlog, aan een oorlog om grondgebied en voor expansionistische doelstellingen ; weigeren om betrokken te zijn bij criminele activiteiten met het oog op etnische zuiveringen en de oprichting van etnisch gezuiverde gebieden.” (4)

In de loop van 1991/1992 werden 140000 mensen gedwongen gerecruteerd in Servië, van wie 82000 afkomstig uit de Vojvodina. (6)  100000 dienstweigeraars waren in die periode op de vlucht voor de autoriteiten die hen tot de oorlog wilden dwingen om.  Een gerechtelijke procedure werd tegen 10.000 van hen opgestart. (7)

Ondanks het feit dat het zeer gevaarlijk was om openlijk over desertie te praten, laat staan om actief muiterijen te organiseren, zijn tussen oktober 1991 en het voorjaar van 1992 ongeveer 50 muiterijen van reservisten opgetekend met om en bij de 55000 deelnemers.

Deserteurs werden op twee manieren onderdrukt, enerzijds door de militaristische staat en anderzijds door de gemilitariseerde samenleving :

a.  onderdrukking door de militaristische staat in de vorm van draconische straffen voor 'het vermijden van militaire verplichtingen' (gevangenisstraf van maximaal 20 jaar, ingevoerd in  oktober 1991) ; alle mannen moesten toestemming aan de militaire autoriteiten vragen om het land te mogen verlaten, en dit werd hen steeds geweigerd, indien ze hun dienstplicht niet vervuld hadden ; geen paspoort meer voor dienstweigeraars ; de wet op de Erfenisonwaardigheid (1995) waardoor alle mannen die hun dienstplicht ontliepen (bv. door naar het buitenland te vluchten) hun erfenisrechten werden afgenomen, etc …

b. maatschappelijke onderdrukking : in sommige steden werden de namen van deserteurs geschreven op lantaarnpalen of aankondigingsborden (bv. waren doodsberichten werden opgehangen, zodat ze symbolisch ‘dood' werden verklaard, resulterend in een ‘sociale dood’, namelijk het verlies van een groot aantal burgerrechten zoals bewegingsvrijheid of erfenisrechten, etc.) ; fysieke agressie en wraakacties tegen de moeders van deserteurs.

Bovendien begingen de militaire en burgerlijke overheden van de staat van Servië criminele activiteiten door het rekruteren van vluchtelingen, wat in strijd is met alle internationale verdragen. (8)  Maar niemand is ooit voor deze misdaden aangeklaagd in Servië, noch werd dit ooit officieel als zodanig geregistreerd.


Oorlogsdeserteurs - slachtoffers van het regionale en internationale militarisme

Er zijn talrijke voorbeelden van het samengaan van regionaal en mondiaal militarisme.  Sommige van de meest drastische voorbeelden komen nu ter sprake :

* Het weigeren van visa aan oorlogsdeserteurs als een vorm van medeplichtigheid aan de repressie van het Servische regime : de Europese landen besloten hiertoe op het hoogtepunt van de oorlog en ze gebruikten daarvoor het argument dat ze "verzadigd waren met vluchtelingen”.  Onder druk van pacifistische en vooral antimilitaristische organisaties en dankzij gezamenlijke acties met verwante organisaties uit Servië (vooral in Duitsland en Noorwegen) konden toch een paar honderd deserteurs politiek asiel bekomen.  Europese landen hebben echter nooit desertie op zich erkend als een 'gerechtvaardigde' reden voor politiek asiel.  Ze respecteerden niet eens het besluit van het Europees Parlement dat in 1994 een resolutie aannam in steun van deserteurs uit het voormalige Joegoslavië.  Dit is een voorbeeld van het feit dat de Europese Unie zich op dezelfde manier opstelt als de regionale overheden, en een uiting van de angst bij de Europese staten dat  "desertie en burgerlijke ongehoorzaamheid vanuit de Balkan zou kunnen overslaan naar openlijke steun van de bevolking in de eigen landen voor dergelijke verschijnselen."  (9)

* Noch in het Dayton-akkoord van eind 1995 (na de oorlog in Bosnië-Herzegovina), noch in het Kumanovo-akkoord uit 1999 (na de NAVO-interventie) komt het probleem van de deserteurs met één enkel woord ter sprake.  "VN-resolutie 1244 van juni 1999 waarmee een einde kwam aan de militaire interventie, slaagde er op een uiterst onrechtvaardige en niet goed te praten manier niet in om de SR Joegoslavië te verplichten een wet op amnestie voor militaire deserteurs te stemmen”. (9)

* Het legalisme van de Europese instellingen is slechts een voorwendsel voor militaire repressie : de West-Europeanen landen deporteerden dienstplichtigen, omdat Servië een wet op amnestie heeft (terloops ingevoerd in 1996, maar volkomen willekeurig en selectief) en waarbij verwezen wordt naar de ‘principiële' uitvoering.  Gevolg, dienstplichtigen kunnen op basis van legalistische principes niet genieten van het recht op politiek asiel.  West-Europese landen deporteerden op die basis gewetensbezwaarden die nochtans een verblijfsvergunning hadden, en die na hun terugkeer naar Servië, en in het bijzonder na het begin van de NAVO-bombardementen, werden opgeroepen om als ‘legitiem militair doelwit’ ingezet te worden.  Hun jarenlang verzet tegen de oorlog en hun weigering om eraan deel te nemen werd uiteindelijk 'bekroond' door hen te offeren en ze in te zetten als kanonnenvoer".  (9)


Voor de internationale gemeenschap waren deserteurs onzichtbare en onbelangrijke slachtoffers van oorlog en militarisme.

De oorlogsmisdaad van afgedwongen dienstplicht was onzichtbaar voor de wereldmedia, die reportages draaiden over verwoestingen, etnische zuiveringen, oorlogsverkrachtingen en haast niets brachten over oorlogsverzet, en wel in het minst van al over deserteurs.  Gelukkig stelden anti-militaristische activisten in Europa zich heel anders op en uitten ze niet alleen hun mening en alarmeerden het publiek, maar ze boden concrete steun en creëerden toevluchtsoorden.

Gedurende de oorlog maar ook in de nasleep ervan werd het militaristisch karakter van de institutionele internationale hulp duidelijk : "De vertegenwoordigers van internationale organisaties en diplomatieke vertegenwoordigingen hadden instructies dat ze niet mochten instaan voor hulp aan de burgerbevolking, de anti-oorlogsbeweging of aan deserteurs.  Zij legden dit in hypocriete termen uit als ‘neutraliteit' en een ‘politiek van niet-inmenging’, en dit in tegenstelling dat hun bemoeienissen met interne aangelegenheden via het opleggen van een embargo of via bombardementen.” (9)

Het neutraliteitsprincipe werd alleen al geschonden door de oorlogswinsten van de zogenaamde internationale 'bewakers van de vrede’ : “Het was algemeen bekend dat VN-soldaten in Bosnië-Herzegovina 1.500 tot 3.000 Duitse marken aanrekenden om deserteurs in hun VN-voertuigen naar veilig gebied te brengen.  Women in Black heeft veel dergelijke getuigenissen van oorlogsdeserteurs die probeerden te ontsnappen, opgenomen. (8)

(1).  Aleksov, Bojan, "Ni KUKAVICE ni heroji", Zene za mir, 2002, p. 313-314
(2).  JNA = Joegoslavisch Volksleger (Servisch: Jugoslovenska Narodna Armija)
(3).  Hij vluchtte naar Moskou en overleed er in 2014 (nvdr)
(4).  Aleksov, Bojan i Zajović, Staša "O mobilizaciji i antimobilizaciji", Zene za mir, 1995, p. 36-40.
(5).  De ‘moedersbeweging’ is vergelijkbaar met de Dwaze Moeders in Argentinië.  Zie bv http://nvdatabase.swarthmore.edu/content/bosnian-croatian-and-macedonian-parents-protest-conscription-sons-and-civil-war-yugoslavia-1 (nvdr)
(6).  De Vojvodina is een regio in het noorden van Servië en omvat de Bačka in het noordwesten (met de Tisa als oostgrens en de Donau als zuidgrens), het Banaat in het oosten en Syrmië (Srem) in het zuidwesten.  Deze drie gebieden behoorden tot 1918 allen tot Oostenrijk-Hongarije.
(7).  Zene za mir, 1993, 1994, 1995, Ženska mirovna agenda 2006.
(8).  Women in Black announcements, 22 januari 1994 en 2 februari 1994.
(9).  Kovačević-Vuco, Biljana, Balkan: Dezerteri kao žrtve rata i mira, Zene za mir, 1999, p. 301-304.