Menu

Vier dichters die in 1915 publiceerden

De Gedichtenwebsite laurensjzcoster.blogspot.nl/ stelt vast dat er veel prijzen en poëziewedstrijden georganiseerd worden.  Ze stelde zich dan de vraag wie de prijs zou krijgen, als het nu 1915 was ?  En ze bracht vijf Nederlandstalige dichters in de aandacht die in dat jaar een bundel publiceerden.  De vijf dichters zijn Agnita Feys, René de Clercq, Henriëtte Roland Holst, Albert Verwey en Willem de Mérode.  In de bloemlezing hieronder hebben we Willem de Mérode (pseudoniem voor Willem Keuning, 1887-1939) weggelaten, omdat in zijn bundel Gestalten Stemmingen (1915) de oorlog en de vredesgedachte niet of nauwelijks aan bod komt.





Agnita Feis  -  Oorlog (1915)

Agnita Feis (1881-1944) was beeldend kunstenaar, de echtgenote van avantgardist (en destijds dadaïst) Theo van Doesburg, en had wel wat gepubliceerd in tijdschriften, maar niet veel. In 1915 verscheen haar bundel Oorlog  - in eigen beheer uitgegeven in een oplage van 200 exemplaren. Het bleef haar enige publicatie - na haar dood verscheen nog haar gedicht 'Kermis' in een bibliofiele uitgave. In 1917 scheidde ze van Van Doesburg.  Het internet zwijgt over haar verdere leven.

De bundel Oorlog was zijn tijd ver vooruit, dadaïstisch van vorm en toon, realistisch en confronterend qua boodschap.  De ondertitel Verzen in staccato geeft het karakter van de gedichten precies weer : korte regels van meestal twee woorden, die in een en dezelfde cadans bijna als geweervuur naar het einde voeren.  Een heel bijzondere anti-oorlogsbundel die indertijd nauwelijks werd opgemerkt, maar die door Albert Verwey hoog werd geprezen.


De last

Een last
drukt op
den mensch.
Zoo zwaar,

zóó zwaar
is dit,
dat van
't gewicht

de aar-
de buigt,
de aar-
de zwicht.

Die last
van moord
drukt al-
les neer.

Niets bloeit.
Niets groeit.
Niets lacht
er meer!

Die last
is zwaar,
drukt op
wat leeft.

En al-
les zucht.
En al-
les beeft....


*

De verlaten loopgraaf

Een wond
in d'aard!
Een geul!
Een spleet!

Deed dat
de mensch,
die denkt,
die weet?

Arm, voet,
been, hoofd,
't ligt al
dooreen

Men zoekt
een mensch!
Er is
er geen!

Slechts bloed!
Slechts stank!
Slechts lijk!
Slechts dood!

Op, op!
Meer moord.
Uw land
blijv' groot!

*

De bajonet

Een punt
van staal.
Heel scherp,
heel wreed.

Daar doet
de mensch
den mensch
mee leed.

Dat dringt
in bloed,
dat dringt
door been.

Dat wil
de pijn
den dood
alleen.

De koe
slacht niet
de koe.
Het zwijn....

Maar wij
zijn trotsch
een mensch
te zijn!


*

Menschenmateriaal

Het is
maar bloed.
Het is
maar been.

Is 't heusch
maar stof?
Is 't stof
alleen?

Men schendt
natuur.
Men schendt
den geest.

Men is
geen mensch.
Men is
geen beest!

Werp maar
den mensch
in 't vuur!
Ga voort!

Maar 't is
ùw ziel,
die wordt
vermoord!


*

De nieuwe Mensch!

De nieuwe Mensch
zal glanzend zijn!

De nieuwe Mensch
is eeuwig rein!

Hij's driekwart geest
en een kwart stof.

En nooit maakt smart
zijn oogen dof.

Hij zweeft. Hij vliegt.
Hij's licht en lucht.

Hij kent geen traan,
hij kent geen zucht.

..... ....
.. .. .....

Een kreet stijg' op
uit d'aarde, één wensch:

De nieuwe mensch!
De nieuwe mensch!

*


Henriëtte Roland Holst  -  Het feest der gedachtenis  (1915)

Henriëtte Roland Holst schreef tijdens haar lange leven een omvangrijk oeuvre bij elkaar. Veel poëzie en toneel, maar ze publiceerde ook over politiek en maatschappelijke kwesties. Ze was communiste – de vertaling van De Internationale is van haar hand – en later socialiste, en hoewel ze een afkeer had van de vrouwenbeweging (die haar te bourgeois was) wel degelijk ook feministe.  Zie keldersop deze blog voor een tekst van haar hand.

Critici hadden een hoop aan te merken op de vorm van haar gedichten, maar hadden haar toch hoog zitten, en ook het publiek waardeerde haar werk, blijkbaar ook omdat het zo 'gevoeld' was - wat ergens opmerkelijk is omdat haar stijl en haar toon heel rationeel en beredeneerd zijn. Wellicht dat haar innerlijk vuur, de liefde voor de (arbeidende) medemens en haar geloof in een betere (socialistische) toekomst haar lezers aanspraken.

Net als die andere genomineerde bundel, Het zichtbare geheim van Verwey, dwingt Roland Holsts in 1915 verschenen Het feest der gedachtenis alleen al door de omvang respect af: 240 bladzijden met twee keer vier zangen die allemaal met elkaar samenhangen – je kunt verdedigen dat het hier één lang gedicht betreft. Het gaat over de rol van de vrouw in de maatschappij, en vooral ook de rol die van haar verwacht wordt om tot die betere, socialistische toekomst te komen. In het tweede deel bezingt ze drie grote voorgangsters van de vrouwenbeweging: Mary Wollstonecraft, Louise Michel en Jekatarina Bresjkovskaja. De kritieken waren destijds zeer lovend: "Er is zooveel schoons in het geheele boek in rhytme en taal, zoo raak en zoo treffend wordt telkens in enkele woorden het tragische van een toestand of van een geheel leven geschetst, er spreekt zooveel diep medegevoel met het lot van vele vrouwen uit, zooveel eerbied voor de strijdsters en hartstochtelijke vereering voor het streven der socialisten, dat ik gelukkig ben, dit boek te hebben gelezen."


Toen donkerde een wijl het Droom-gezicht
in mij, de luister van den dag ging dicht:
ik zat in schaduw en mijn hart bewaarde
wat het gezien had op een nieuwe aarde.

Ik had gezien de vreugd der Toekomst-dagen,
de blijheid van de sterken, 't welbehagen
zuiver en schoon, een goddelijke kracht,
in de gave des levens, in zijn pracht.

Ik had gezien de lichtzinnigheid weven
haar kleuren-speling door het Toekomst-leven:
zij was niet leelijk gelijk nu, maar zeer
aanminnig, lieflijk als een vlinder, teer.

Ik had gehoord de smart der Toekomst. Edel
klonk die als de toon van een rijpe vedel:
zoo glanzend en zoo gaaf had zij geklonken
dat ik voelde, of ik had weer vreugd gedronken.

Nog peinsde ik aan die drie schoone Naturen,
volgde over d'aard bewegen hun figuren,
toen ontwaakte het Gezicht weer in mij
en maakte mij met nieuwe schoonheid blij.
*

In de weegschalen zweven macht en macht:
de oude, zat-gedrenkte aan goud en praal,
de jonge die zich voedt met eed'le kracht
uit vuur'ge harte': een oogwenk staat de schaal,
en menschheid houdt den adem in. Dan zinkt
de eene schaal omlaag: triomfgehuil
stijgt op, van al wat wreed en valsch en veil
zich zat aan 't bloed van de verslaag'nen drinkt.
De jonge macht woog nog niet zwaar genoeg:
de tijden zijn niet rijp, het was te vroeg.


*

O schone kracht Geestdrift die doet vergeten
alle aardse ellende, elken lichaamsnood,
en het sidderend lijf voedt met de beten
van uw zonne-gerijpte goden-brood,

die uw stroom door de lam-gewerkte leden
en door de moe-gedachte hersens stuwt,
en ze op-richt tot de gespannenheden
waarvoor het laag en klein bewustzijn gruwt; –

gij heerlijke, sedert de moeder-aarde
mens-wezens voorbrengt uit haar rijken schoot,
hebt gij nog nooit uit zo geweld'ge haarden
den berg van 't leve' en d' afgrond van den dood

verlicht met uw zonne-gedrenkte stralen,
als in dat jaar van gouden opstands-pracht,
toen millioenen wezens voelden dalen
in hen uw heil'ge essence, o schone kracht...


*

Want de dag was het feest Gedachtenis
dat de vrouwen hadden gezet in 't jaar
om te eeren vrouwen van lang geleên
die niet vol geluk ware' als zij, maar zwaar
belast met druk en met ellendigheên,
en veel verdrukking hadden uitgestaan,
dat deze eens vrij zouden groeien, vrij gaan,
én gestreden langen moeizamen strijd
voor dezen vreugd te winnen. Hun gewijd
hadden die blijde vrouwe' één dag in 't jaar:
dan stegen ze tot de bergen te zamen,
of gingen naar de wijde strande' om daar
met die eens leefde' ïn den geest te verzamen.
Uit dankbaarheid en liefde gingen zij,
voor hen, die leefden in het lage tij
der liefde en maakten het lange duister
hel met opstandig hopen en strijde-luister,
In der vrijheid helderen toekomstdag
blinkt zacht Herinnerings azuren vlag.




René de Clercq - De zware Kroon (1915)

In Nederland is René de Clercq (1877-1932) nooit heel bekend geweest, in Vlaanderen zal men hem zich vooral nog herinneren als de volksdichter die na de Eerste Wereldoorlog ter dood werd veroordeeld omdat hij als anti-Waalse flamingant heulde met de Duitsers. Na de oorlog woonde hij dan ook tot zijn dood in Nederland. Pas jaren daarna werd hij gerehabiliteerd. In zijn geboorteplaats Deerlijk is nu een René de Clercq-museum te vinden.
De Clercq schreef poëzie, toneelstukken en romans. 1915 was een productief jaar voor hem, want behalve het hier genomineerde De zware kroon publiceerde hij ook nog Van aarde en hemel - twee bundels waarin de oorlog een grote rol speelt.

Zijn poëzie is vitaal en extrovert, soms bourgondisch, soms wat ronkend, maar altijd oprecht. In De zware kroon komt daar dan nog zijn afgrijzen over de oorlog en de bezetting van Vlaanderen bij - in 1915 was hij nog niet pro-Duits. Het zijn meest korte, ritmische gedichten, strijdlustig van toon en met een patriottische boodschap.



De volkeren hollen

De volkeren hollen in 't zwart gevecht.
De menschen, de menschen,
Lijken daarbij zoo klein, zoo slecht.
Ze hebben geen God, ze hebben geen recht.
De volkeren dooden de menschen.

De kerken roepen: uw zegen, Heer.
De kristnen, de kristnen,
Kussen hun kroost en grijpen 't geweer.
Ze vallen of vellen een broeder neer.
De kerken dooden de kristnen.

Vrede heet heilig, de vreedzame laf.
En kruisen, en sterren,
Als blaren ten herfsttijd regenen ze af,
Een kruis op een borst, een kruis op een graf.
De aarde is zoo dof in de sterren!


*


Naar Holland

Waar vluchten, zonder ouders,
Voor 't bange krijgsgedruisch?
Wie neemt van onze schouders
Het bloedig zware kruis?
Naar Holland,
Vrij Holland,
In Holland staat een huis!

Waar gaan de deuren open,
Breed open elk gemoed?
Waar kan men heen en hopen
Dat weelde liefde doet?
In Holland,
Mild Holland,
In Holland is men goed!

Waar zal het kind graag deelen
Zijn brood en onzen traan?
De vrouw ons' handjes streelen
Als moeder heeft gedaan?
In Holland,
Lief Holland,
Laat ons naar Holland gaan!


*

Kerstvrede

Er werd gevuurd en gekorven,
In de loopgraaf wordt het stil.
Vredeloos zijn gestorven
Menschen van goeden wil.

Thans naket de ongeëvenaarde
Wonderzachte nacht.
Wit staat de dood op wacht.
Gods kinderen hebben de aarde.


*

De oogst

Aren rijpen, menschen rijpen,
Naast den maaier stapt de dood.

Wee het kroost voor krijg geboren!
Paarden trappelen door het koren.
Op den oogst volgt hongersnood.

Aren rijpen, menschen rijpen,
Dood zal halm en man omgrijpen.


*

De angst

Oorlog teistert. Alleroorden
Loert de dood op buit.
Krachtigen schrikken, heiligen moorden,
De wereld roeit haar eigen uit.

Arbeid, armoed, ziekte en zorgen
Verdwijnen voor den éenen angst.
De dagen duren, de nachten langst
Wat brengt de morgen?




Albert Verwey - Het zichtbaar geheim (1915)

Hoewel je zijn naam niet heel vaak meer hoort, is Albert Verwey (1865-1937) een van de zeer groten in de Nederlandse poëzie.  Hij werd op jonge leeftijd door Willem Kloos bij de Tachtigers ingelijfd, en bleef daarna zijn leven lang zeer actief als dichter en criticus.  Menno ter Braak noemde Verwey in zijn in memoriam een gezaghebbend en bijzonder mens, een monumentale dichter en een tot zijn dood vitale geest - "onder de Tachtigers [...] de eenige, die nog midden in den tijd stond".  In 1924 werd hij hoogleraar in Leiden, dat volgens Ter Braak "een wetenschappelijk en paedagogisch voorgangerschap" dat een bekroning van zijn dichterleven was.  Behalve literator was hij ook vertaler (o.a. Shakespeare en Dante) en de samensteller van een 'volkseditie' van Vondels verzamelde werken.

In 1915 verscheen de bundel Het zichtbaar geheim, die alleen al door de omvang van 300 bladzijden veel andere uitgaven doet verbleken.  Het is een gevarieerde bundel, met diepzinnige afdelingen naast korte puntdichten.  Verwey was niet godsdienstig, maar veel gedichten hebben toch een religieus aandoende, pantheïstische grondtoon.  De bundel bevat zowel vormvaste, declamabele poëzie naast lossere gedichten op spreektoon, die soms bijna prozagedichten zijn.



De grondtoon

Een zware en vaste vloer van klanken, als een vlot
Dat op een ondergrondsche stroom langs rotsen drijft.
Somtijds verborgen in een ronde en donkre grot,
Dan in een dal waar scheemrig licht maar kort verblijft.
Nu is het water stil, dan stort en botst het luid,
Dan woelt en joelt het wild en slaat zijn kuifschuim uit,
Dan overspoelt en stuwt het zijn gesleurde vracht
Door korte en grillige dag neer in een dieper nacht.
Het vaartuig kreunt en kraakt, in elk gebint verstijfd,
Tot de ergsten val bereid, gereed voor 't eindlijk lot,
Tot, of een vinger kim en hemel openschrijft,
De zee hem groet die 't leidt, de in stralen zichtbre god.


*

Nacht bij het Pantheon

Zijn in uw welven, steenen gevaarte, de graven
Van die twee:
In een enge doodloopende laan tegenover elkander
De tomben, ijzerig somber, en recht, van die beiden:
Hem die spottend het hek sloot voor 't verleden,
Hem die, levenslang kind, tuin van de toekomst ontsloot?
Fonkelt Voltaire in dat donker? Of welt in dat duister, verborgen,
Vol van tranengeklok en glimlach-geflonker, Rousseau?
Hoor 't midnachtelijk uur uit een toren. Op 't wijde plaveisel
Sterft van een paard de hoefklop en bellengerinkel nu uit.
Slapen zal ik hierboven. Slapen? De eeuwen slapen
Beneden, maar eeuwig waakt, boven de tijden, het Woord.


*

Aan Rembrandt

Wie heeft het donker zoo met licht bezield
Als gij die koning zijt van zichtbre dingen.
Geen zon kon ooit het duister zoo doordringen
Als nacht van ziel uw oog dat ge open hieldt -
Levende lichtkern flonkering-omwield -
Tot al de golven van haar schemeringen
Kleurden en weken en bestaan ontvingen
Van werkelijke wezens, nacht-omkrield.

Als de demonen die voor de englen stortten
In de afgrond, wiegden, wankten om de straling
Van uw geschapene gestalten, puinen
Van schaduwen: vast, zonder breuk of horten,
Zweefde op de zwaarte van hun donkre daling
Uw stijgens-reede licht in klaar bazuinen.


*

Het eigen rijk

Toen mij de dood geen uitweg scheen te laten
Naar 't blijde rijk van de aarde, sloot ik de oogen,
En naar mijn eigen rijk - uw rijk, Verborgne, -
Wendde ik me en gaf mij over aan uw zorg.

Zoo is van al mijn trots dan niets gebleven,
Zelfs niet de needrigheid die in haar nijgen
Daad van erkenning en dus oordeel voelend,
Zich op het eigen wijs besluit verheft.

Ik gaf mij als een hulploos, onbeholpen,
Niets kunnend wezen - zelfs niet lijden kon ik -
Alleen op hoop van beter, en onmachtig
Het beetre elders te vinden dan in u.

Het Eigen Rijk! - Dat wist ik lang tevoren
Dat wie zichzelf vindt u vindt en zijn leven
Opgeeft aan u; - maar hoor nog eens, Almachtge!
Ik deed het noodgedrongen, als een slaaf.



VSB-prijs 1915 -- uitslag   

De VSB-prijs 1916 is gewonnen door Agnita Feis met haar bundel Oorlog. Ze kreeg 36% van de uitgebrachte stemmen.

1 (36%) Oorlog - Agnita Feis
2 (21%) Het zichtbare geheim - Albert Verwey
(3/4 (17%) Gestalten en stemmingen - Willem de Mérode)
3/4 (17%) Het feest der gedachtenis - Henriëtte Roland Holst
5 (9%) De zware kroon - René de Clercq

Op de blog kan een pdf van de e-bundel met een selectie van de gedichten uit de genomineerde bundels gedownload worden.


Als uitsmijter een modern gedicht van de Belgische dichter des Vaderlands (tot 31/12/2015) Charles Ducal

Soldaat 1914

De hamer van de taal heeft zijn schedel gekraakt
en alle kamers ingenomen. Het is nog zijn hoofd,
maar wordt nu bewoond door iets groters.

In de keuken wordt proviand klaargemaakt
voor zijn aandeel in armen en benen.
In de woonkamer schept het dagblad het kwaad.

Zo wordt de wil langzaam losgepraat
van have en goed en ingesnoerd
in het uniform van de plicht.

Een oeroud instinct wordt uit de mottenzak
boven gehaald en gelucht. Er zitten gaten in,
allicht van angst, maar die kunnen gedicht.

Hoofdletters vullen ze in,
geven de dood zijn onsterfelijke zin.

Zijn dood, niettemin.


Charles Ducal (1952)
uit: Bewoond door iets groters (2015)