Menu

een verhaal van een Eritrese ‘deserteuse’

een verhaal van een Eritrese ‘deserteuse’


Ik werd opgeroepen voor het leger toen ik 16 jaar oud was.  Vier jaar later vluchtte ik via een gevaarlijke route mijn land uit en overleefde het ‘shoot-to-kill’-beleid aan de grens.  Mijn vader was een anonieme schrijver voor de oppositie en toen de regering erachter kwam, was hij niet meer veilig.  Hij ging naar een conferentie in Noorwegen in 2008 en vroeg er asiel aan.  Mijn moeder en mijn jongere zus volgden hem in 2010.  En voor mij betaalde mijn moeder $ 4000 aan een mensenhandelaar om me ook uit het land te krijgen.



Het was eng.  Ik wist dat het een kwestie van leven of dood was, maar ik had er vertrouwen in dat alles in orde zou komen, omdat we zoveel geld betaald hadden.  Het liep helemaal anders.  We werden beschoten, toen we de grens wilden oversteken en moesten ons schuilhouden totdat alles voorbij was.  We zetten onze vlucht te voet verder.  We vertrokken om 19u en liepen door de woestijn tot 6u 's morgens.  Ik was zo uitgedroogd dat ik dacht dat ik zou sterven.  Ik was bang.  Overal zagen we lichamen en skeletten.  Ik wilde omkeren, maar de smokkelaar zei dat dit onmogelijk was en dat ze ons zouden doodschieten.  

In Soedan had ik nog meer schrik omwille van de mensenhandel.   Vrouwen werden gemarteld en verkracht.  Ik verbleef een jaar en zeven maanden bij een neef en was te bang om buiten te komen.  Ik hoorde dat Noorwegen mijn aanvraag had geweigerd …  Daarna ging ik naar Oeganda en bleef er met een vriend.  Het was prachtig.  Het was de eerste keer dat ik me veilig voelde.

In 2012 werd ik eindelijk in Noorwegen geaccepteerd als vluchteling en ik doe nu lobbywerk, zodat de wereld meer te weten komt over Eritrea.  In juli 2014 startten mijn collega's en ik een campagne tegen de Nationale Slavernij in Eritrea.  Ik getuigde voor het VN-hoofdkwartier in Genève om bij te dragen aan de oprichting van een onderzoeks-commissie die de schendingen van de mensenrechten in Eritrea moet onderzoeken.

Ik doe dit voor de jonge Eritrea man die verkommert in de gevangenis.  Hij had Meb kunnen zijn, de Eritrese atleet die onlangs de marathon van Boston won en duizenden landgenoten inspireert.  Ik doe dit voor de jonge Eritrese vrouw die in het leger dient en seksueel misbruikt wordt.  Ze had Mieraf Batha kunnen zijn, de winnares van de 5000 meter op het Europese atletiekkampioenschap in Zurich in 2014 en die via sluikse wegen naar Zweden kon vluchtten.  Of ik doe het voor het jonge meisje dat neergeschoten werd aan de grens.  Ze had mij kunnen zijn.

De One Young World Summit in 2014 in Dublin is fantastisch.  Iedereen heeft een verhaal en iedereen doet iets positiefs voor zijn gemeenschap.

Luwam Estifanos ,  Eritrean Youth Solidarity for Change (EYSC)
Vreemd is het Eritrese verhaal,

maar nog vreemder dat van Eritrese vrouwen in het leger

http://www.wri-irg.org/node/24670


Vaak (te vaak) denk ik na over wat andere mensen maken van onze verhalen, onze Eritrese verhalen.  Niet de dramatische verhalen, maar de typische alledaagse verhalen, over ervaringen die alle Eritreeërs delen.  Ik ben ervan overtuigd dat onze verhalen van onvoorstelbare pijn die onnodig toegebracht door de mensen die beweren ons te hebben bevrijd, overkomen als veel te vreemd om te kunnen behoren tot een gewoon leven.  Net als deze verhalen ...

Ik probeer me wel eens voor te stellen wat mensen zouden vinden van Lemlems verhaal.  Ze is een oude vrouw van boven de 60 en vandaag is ze verplicht om een ​​AK-47 te dragen.  Ze begrijpt niet waarom, ze is het er niet mee eens, ze weet niet echt hoe het te gebruiken en ze is zeker dat het haar niet zal beschermen tegen de mensen die haar bedreigen - vandaar dat ze het aan haar hebben gegeven.  In haar huishouden temidden van haar pover omhoog gehangen keukengerei en naast de plek waar ze haar potten en pannen bewaart, bengelt dit vreemde voorwerp.  Elke keer als ze het pistool ziet, wordt ze herinnerd aan de dood en vernieling die haar het hele leven begeleid hebben.  Ze vraagt ​​zich af of degenen die haar dit symbool van dood en vernieling gaven, ooit zullen stoppen met haar te terroriseren.

Kibra is moeder van drie kinderen, of was een moeder van drie om precies te zijn.  Ze verloor haar dochter tijdens de bevrijdingsstrijd en daarna een zoon bij een grensconflict in 1998.  Toen haar jongste zoon enkele jaren later in de Middellandse Zee omkwam, bleef ze nog alleen achter.  Vandaag is wakker worden in een nieuwe dageraad telkens een herinnering aan al het verlies.  De eenzaamheid stopt nooit.  Elke dag verzamelt ze al haar kracht om wakker te worden en vraagt ze zich af waarom ze op deze planeet werd achtergelaten.  Elke nacht valt ze in slaap, uitgeput van het zoeken naar iets dat de moeite waard is om voor te leven.

Semira is een 30 jaar oude vrouw.  Iedereen vertelt haar dat ze de dochter van heldhaftige martelaren is.  Maar ondertussen is ze erachter gekomen dat dit juist hetzelfde betekent als wees zijn.  Ze vraagt zich voortdurend af wat er zou gebeurd zijn, indien slechts een van haar ouders had overleefd.  Ze kent veel landgenoten van haar ouders die in gevangenissen verspreid over het hele land verdwenen zijn of die het land gewoon verlaten hebben.  Ze vraagt ​​zich af of dat heel anders is dan oorlogsweeskind zijn.

Sara is jong en wil vrij zijn.  Ze droomt altijd over vrijheid.  Ze werd tot militaire dienstplicht gedwongen en verdient minder dan 50 dollarcent per dag voor het doen van allerlei karweitjes.  De dingen die ze gevraagd wordt te doen geven haar een goedkoop en vies gevoel.  Meerdere maanden nu al doet een militaire functionaris alsof hij bezit haar en beantwoordt zij al zijn eindeloze behoeften.  Als ze dat niet doet, weet ze wat haar te wachten staat.  ’t Is te zeggen eigenlijk weet ze dat niet, want als ze wist zou ze beter kunnen beoordelen of dat het de moeite is dat risico te nemen.  Net als Semira is Sara de dochter van vrijheidsstrijders.  En hoewel ze trots is op het offer van haar ouders voor de onafhankelijkheid, vraagt ze zich af wat ‘vrijheid’ echt inhoudt en of het offer van haar ouders en van de velen die het leven lieten, ooit vruchten zullen dragen.

Ook ik stel me vragen ... niet alleen over de ervaringen van deze vrouwen en vele anderen, maar ook over ervaringen die ik als 16-jarige dienstplichtige doormaakte.  Onnodig te zeggen dat ik meer dan mijn portie gruwelijke ervaringen heb die ik nog steeds niet kan begrijpen.  Mijn vriend Winta (niet haar echte naam) was een 17-jarige dienstplichtige, toen ze na een typische dag van lange uren training en werken en onder de barre zon onophoudelijk geslagen worden, ziek werd.  Eerst verloor ze haar stem, al snel gevolgd door een luid en ononderbroken hikken dat wekenlang doorging.  Haar knieën knikten plotseling door bij het stappen en ze kon alleen nog achteruit in een rechte lijn lopen.  Onlangs las ik dat deze ziekte dystonie heet, of iets dergelijks.  Toen hadden we geen idee wat er gebeurde, en waren erg bezorgd te zien dat dit veel van onze vrienden overviel.

Mijn vriend Winta en alle andere slachtoffers kregen nooit medische verzorging voor deze vreemde ziekte.  In plaats van behandeling kregen ze zware straffen.  Om Winta en de anderen te beschermen tegen de straffen probeerden we hun ziekte zo goed als het ging te verbergen voor de militaire leiders.  Soms vertrokken we extra vroeg naar het ochtendappel om te voorkomen dat we door iemands knikkende knieën te laat zouden komen.

Op een nacht bleven Winta en wij allemaal heel lang op en rouwden we om de dood van een vriend die vreselijk ziek geworden was, en zoals gewoonlijk niet snel en correct verzorgd was.  Winta werd vreselijk geraakt door het verbod op tranen tijdens de begrafenis.  Nadat ze zich toch niet hadden kunnen beheersen en hun vriend beweenden, werden ze zwaar gestraft voor insubordinatie.

Het verlies van haar vriend en de twee uur straf die erop volgde, hadden tot gevolg dat de meisjes de symptomen van hun dystonie-achtige ziekte niet langer konden verbergen.  Ineens hikten verschillende van hen ongecontroleerd en lukte het hen niet meer recht en vooruit te lopen zonder hulp.  Het was verschrikkelijk !  Wekenlang werd Winta elke nacht wakkerr en huilde ... niet voor de martelstraffen die ze onderging en niet voor het ziek worden, maar omdat haar het recht ontzegd was om te rouwen voor haar overleden vriend.  Het leven was in het leger niet hard,  het was wreed, te wreed om te worden begrepen door degenen die het geluk hebben om dergelijke wreedheden niet te moeten doorstaan.  Soms vraag ik me af of we het einde ervan ooit zullen meemaken ... en of we ooit niet meer door onze herinneringen gestoord zullen worden.

Ik, net als vele Eritreeërs, ben een overlevende en een getuige van dit alles en van nog veel meer.  En zoals de meeste Eritreeërs ben ik het resultaat van al die ervaringen.  Gekwelde zielen als we zijn,  proberen sommigen te vergeten zodra verlost zijn, en anderen leven verder in angst.  Maar om dit alles met een oorverdovende stilte te negeren en ‘voort te doen' zoals velen lijken te doen, is hetzelfde als een ​​groot deel van onszelf achter le laten in de wreedheid van het leven, dat het leven van de Eritrese vrouw is.

Vrouwen van Eritrea, vrienden en landgenoten, laat ons beloven niets van onze ervaringen te vergeten … niet de gruwel, niet het onrecht en niet ‘het bevreemdende’.  Vreemd zijn onze verhalen, en ze zullen vreemd blijven, ook al doen we onze verhalen over de doden en de levenden, één voor één, en zullen we ze altijd met ons mee dragen.

Published in CO-Update, March-June 2015, No. 87