Menu

Het 'kleine alledaags verzet'

Het 'kleine alledaags verzet'

 Karel van de Woestijne
In zijn Brussels oorlogsdagboek komt het 'kleine alledaags verzet' aan bod.

29 October 1914.

De burgerwacht, de ‘garde civique’, waar indertijd zóo om gespot werd en die naderhand bleek toch wel van eenig nut te zijn, - de burgerwacht van Brussel en voorsteden heeft zes-en-dertig uur in nauwe schoentjes gezeten.

Nadat het Belgische leger Antwerpen verlaten had, en, over Brugge, tot in Oostende was verdreven geworden, had men aan de schutterij eindelijk vrijaf gegeven. De uniformen en de wapenen werden in zee gegooid. Onder allerlei vermomming hadden de burgersoldaten hunne haardsteden terug bereikt, behalve dezen - meest ongehuwden - die verkozen hadden zich als vrijwilliger aan te geven, en die thans vechten, waarschijnlijk, tusschen Nieuwpoort en Ieperen, of in het gulle Normandië uitrusten, waar men den nieuwen appelenoogst tot cider aan het persen is: solaas voor onze dappere mannetjes, die drie maand hebben gevochten.

De anderen intusschen waren tot hunne broodwinning teruggekeerd, overtuigd dat het uit was met hunne miserie. Toen gisteren eene nieuwe ‘Bekanntmachung’ ze weêr verontrusten kwam: hun werd geboden, zich in zeker lokaal aan te melden, en deden zij het niet, dan zou het oorlogsrecht over ze oordeelen. - De eerste indruk zette velen tot verzet aan: zij waren Belgen, die voor het vaderland hadden gevochten, hetgeen aanleiding gaf eerst tot de gedachte: zij willen mij krijgsgevangene maken, en ten tweede: zij willen mij dwingen tegen mijne eigene broeders te gaan vechten. Bij velen was dan ook de eerste beweging: ‘Ik ga niet.’ - Nochtans zijn de meesten vanochtend gegaan. En het bleek dat men van hen alleen verlangde: zij zouden het geweer nooit meer tegen Duitschland opnemen en zouden zich om de week komen toonen. - De Belgische burgerwacht schijnt dat al meer dan genoeg te vinden, en zij hebben niet weinig gelijk. De Belgen maken een volk uit, dat niet van gebondenheid houdt... ‘Fortissimi’, getuigde Julius Caesar van de oerbevolking van ons land. En wij wonen nog steeds in dezelfde streek van vlakten en aan rivieren: bergen en wouden bieden grootere veiligheid. Daarom blijven wij, misschien, moediger dan andere volkeren.

Waaruit de zucht tot meer onafhankelijkheid voortspruit...  De burgerwacht heeft zich niet te minder onderworpen, gelijk zich vele staatsambtenaars onderworpen hebben. Want men moet léven, zij het dan ook onder de verschrikking...
 
5 November 1914.

Wij zijn gedwongen, gij weet het, Duitsch geld te aanvaarden. Nochtans is er te Brussel zoo goed als geen in omloop. De Brusselaar behelpt zich met de papiertjes van één en twee frank. Er schijnen trouwens weêr wat vijffrankstukken in omloop te komen. Van marken in Belgische burgerbeurzen geen spoor.

En dat kon wel komen, omdat, volgens den militairen gouverneur, sommige winkeliers ze eenvoudig weigeren. Dat gaat nu echter wel veranderen: de winkelier die geen Duitsch geld aanvaardt, ziet voortaan zijne zaak onmiddellijk gesloten. Anderdeels wisselt de Deutsche Bank niet meer uit tegen Belgisch geld. Dus...

Het blijft mooi weêr. Van den winter merkt men niets, dan dat de Duitsche onderofficieren sedert 1 November met mollenvellen winterbroeken loopen...

13 Januari 1915

Geweldige troepenverplaatsing brengt weer nieuw machtvertoon meê. Bij sommigen bestond de rechtmatige vrees, dat wij op een gevoel van veiligheid, gekweekt bij de betrekkelijke rust, die wij genieten, wel konden in gaan dutten. Vooral de goede Brusselaar, die de kuip der stad nooit of nimmer verlaat, die de verdedigingswerken om de kazernes te Etterbeek niet heeft gezien, die niet weet dat ergens elders echte fabrieken worden gebouwd, tot het leveren van gas voor de Zeppelins, en verder geld genoeg heeft om zich te mogen laten verleiden door de behoefte aan securiteit, die den grond uitmaakt van zijn innerlijk wezen, - vooral de binnen-stads-Brusselaar kon een kleine opschrikking goed verdragen. Eenige kanonnen zijn een uitnemend middel tegen al te groot optimisme: men heeft er in respectabel getal door Brussel laten rijden, hetgeen sedert half September niet meer was voorgekomen. Aan die kanonnen had men een geleide van mitrailleurs gegeven, en, voor wie op nieuwe sensaties gesteld is, er een stoet van baggerwagentjes aan toegevoegd.

Onmiddellijk denkt men erbij aan het slijkveld aan den Yser, aan den oneindigen slakkenstrijd, oneindig in tijd en in ruimte, dáár in de modderlanden, waar het kanon - men hoort het tot hier - deuken stompt in de compacte stilte; waar achteraan een logge zee de loome schommeling harer baren met onverschillige eentonigheid klotsen laat. Aldus, voor heden, 't visioen van het slagveld. Want heden is het weder grauw en roerloos. De dag is leêg en lui. En de talrijke nieuwe troepen, volkomen uitgerust en flink uitgedost, die ons voor over enkele dagen eenige afleiding in het oorlogsnieuws beloven - het is afschuwelijk, daar haast naar te verlangen; en toch: hoe natuurlijk geworden! - zelfs de veerkracht der vele, vele soldaten, vermag het niet, de lamme stugheid van den luchtkring te breken. Het is de ijlte niet vol verwachting: het is de verzade gelatenheid, het onmachtige en doellooze talmen en teemen, door niets op te zweepen tot verzet of zelfs maar tot lijden. Wij zien het nieuwe vertoon van macht. Wij weten wat het beteekent. Maar in dagen als dezen gaat het niet, te reageeren. Men kan er wel aan denken: het denken is echter mat, heeft geen weêrklank, geeft geen terugslag. Ook wij hebben modder, waar wij in zinken, en wij doen niets om eraan te ontkomen...

Vadsige dagen als deze, afgewisseld met huilende stormnachten. Als nieuws, de onveranderende officieele mededeelingen, wat flauwe grapjes in de plaatselijke bladen (er zijn er nu wel een twintigtal), die zich het nobele doel hebben gesteld ons heug tegen meug te amuseeren, en eindelijk de herhaalde mededeeling: dat dieven en inbrekers op groote schaal, zoo in bewoonde als in verlaten huizen, hunne werkzaamheden hernomen hebben. Wat ze zoolang tegengehouden heeft - want in heel een tijd al hadden ze van zich niet laten hooren - is mij een geheim. Nu komen zij aan de waarlijk zeldzaam-geworden, gemengde berichten hunne oude aantrekkelijkheid teruggeven. Gij ziet: het normale leven herneemt.

Laatste bericht van dezen dooven, lammen dag: het is ons verboden voortaan op de slagvelden soldatenlijken te gaan ontgraven.

6 April 1915.

Het is vandaag de tweehonderd-vijftigste dag van den oorlog. Aan dit niet gering en goed afgerond getal, dat gemakkelijk te onthouden is, heb ik gedacht dat het misschien niet ongepast was en zeker wel geoorloofd, zoo niet eenige beschouwingen, dan toch eene vraag vast te knoopen. Eene vraag die trouwens een gewetensonderzoek is, en dus wel eenige psychologische beteekenis krijgt, al zeg ik het zelf, en daardoor verdient uwe aandacht te vestigen.  Die vraag is: hoe gedraagt zich de Brusselaar op dezen tweehonderd-vijftigsten dag? Nader omschreven: is, na tweehonderd-vijftig dagen, de Brusselaar aangepast op den toestand, die door den oorlog werd geschapen?

Voor velen is Brussel eene pleizierstad; voor allen - ook voor wie niet leven voor hun pleizier - is het eene pleizierige stad. Eene weeldestad trouwens, waar doorgaans niet veel en niet hard hoeft gewerkt om door het leven te komen, en waar voor dat luttele werk ruimschoots ontspanning geboden wordt. Dat heeft van den Brusselaar een luchthartig mensch gemaakt, die daardoor voor een lichtzinnig mensch wordt versleten. Lichtzinnig is hij nochtans niet; al gaat zijn oordeel niet diep, het is meestal juist; haalt hij het in het redeneeren niet bij Hegel, hij bezit gezond verstand genoeg om, bij ruim eclectisme, zich zelden te vergissen. Die schijnbare lichtzinnigheid heeft haar oorsprong in een gemakkelijk leven; de gewoonte van gemakkelijk te leven stelt natuurlijk eischen die, waar zij niet kunnen worden voldaan, langs logischen weg tot verzet of althans tot baloorigheid zouden kunnen verleiden.

Dit is nu, het dient opgemerkt, in al den tijd van de Duitsche bezetting, en na de eerste dagen van opwinding en verslagenheid, in Brussel het geval niet geweest. Geen enkel oogenblik heeft de Brusselaar eenige verandering in zijn humeur getoond. Die onverstoorde gemoedsgelijkheid, die wij, na de verrassing van 20 Augustus jongstleden, nu wel voor onverstoorbaar mogen houden, heeft trouwens eveneens haar oorsprong in het gemakkelijke leven dat men te Brussel geniet.

Ik heb hier geenszins de tegemoetkomingen op het oog, die het eigenlijke volk ondervindt. Soep- en kleederenuitdeelingen, gemeentelijke magazijnen waar men alle waren tegen inkoopprijs krijgen kan en verder de private liefdadigheid hebben heel zeker veel armoede gelenigd en aldus misnoegdheid voorkomen. Heel erkentelijk stemt dit echter het Brusselsche volk niet: het is alles behalve communistisch aangelegd; ongewoon als het is, in groote gemeenschap te werken, bezit het weinig gemeenschapsgeest; en gewoon als het is, meestal over betrekkelijk veel geld te beschikken, leeft en teert het gaarne naar eigen, individueelen zin. En nu heeft het wel geen honger, maar het heeft ook geen geld, en van dit laatste vooral hangt de goede of kwade luim van het Brusselsche volk af, - of zou er van afhangen, indien aan die luim werkelijk iets te veranderen was in goede of kwade richting. En dat blijkt niet goed mogelijk: zelfs het gebrek aan geld heeft niets afgenomen van den, trouwens geheel onschuldigen, en meestal goedaardigen hekelzucht die 't kenmerk is van den Brusselschen geest, de onverwoestelijke ‘zwans’ die den vreemdeling aanvankelijk bevreemden moet en misschien kregel maakt, maar waar hij altijd eindigt met er zich bij neêr te leggen, en die hij zelfs goedsmoeds ondergaat, omdat elke geestelijke onafhankelijkheid imponeert, zelfs waar zij geen instemming kan vinden.

Het is trouwens niet onder het mindere, het eigenlijke volk dat men gistende misnoegdheid, te wrokkiger naar zij zich volkomen onmachtig weet, zou moeten zoeken: veel meer onder den geringen middenstand, dien men het intellectueele proletariaat heeft genoemd, een benaming die eene dubbele vergissing is, omdat deze lieden niet tot ééne, maar tot alle rangen der maatschappij behooren en dus niet onder te brengen zijn in één enkele maatschappelijke indeeling, die gaat onder éen enkelen geest; en verder omdat het intellectueele aan hen ofwel oppervlakkig en vervalscht door slechte vulgarisatie, ofwel te niet gedaan en weêr vervalscht door ongebruik en verbitterde nutteloosheid is. Onder deze lieden, waarvan de meesten zich verongelijkt achten, en waaronder velen thans de zwartste armoede lijden, daar niemand ze helpt bij gebrek aan officieele en openbare redenen (want de philantropie wil niet onredelijk worden geacht, en charitas als sociale factor hangt nu eenmaal van eene goed-zichtbare ratio af), en ook wel omdat men niet durft, omdat men vreest ze te krenken, - onder deze lieden is het, dat men eerder ontevredenheid zou te zoeken hebben.

Ontevredenheid die zich, bij deze zwakken, vooralsnog niet heeft voorgedaan, waaraan althans geen lucht is gegeven, en die, zoo zij bestaat, onderdoet voor gedweeë lijdzaamheid en, bij deze werkloozen, voor eene onbegrensde verveling.

Ik zei dat, ook in de tegenwoordige omstandigheden, en na tweehonderd-vijftig dagen oorlog, de gebleken onverstoorbaarheid van het
Brusselsche volksgemoed haar oorsprong kan hebben in het gemakkelijke leven dat men, in gewonen tijd, te Brussel geniet. Dit lijkt wel eenigszins paradoxaal, juist omdat het ongewone van den tijd ons van veel gemak beroofd heeft, en wij dientengevolge te beter moeten gevoelen wat wij ontberen; hetgeen niet gaat zonder onbehaaglijkheid.

Merk echter op, dat wij op een of anderen indruk, op een of ander voorval niet reageeren met onze rede: zij ontmoeten eerst ons gemoed, dat zelden logisch en consequent is. Dat gemoed nu is voorbereid, is gekneed door allerlei impressies en stemmingen, door allerlei ondervindingen en gewoonten, wordt bestuurd of laat zich althans verleiden door een zekeren gemakzucht en door aangekweekte neigingen, die er een grond van bestendigheid, van onveranderlijkheid, iets als weerzin voor verandering, iets behoudgezinds aan geven, die, vooral bij langdurige wijzigingen in voelen en handelen, zelfs de levenskrachtigste gemoedsbodem tot aanpassing nopen. - De Brusselsche volksaard nu, die 't gemakkelijke leven van vroeger optimistisch en gul, goedgeefsch en goedlachsch heeft gemaakt, kon van den eenen dag op den anderen zoo maar niet zwartgallig en bitter, nijdig en bits gaan worden. Zelfs waar de gebeurtenissen tot opstand zouden hebben aangezet, zou de gemoedsgrond gewerkt hebben als rem, of althans als teugel. Voeg daarbij - dat het vandaag de tweehonderd-vijftigste dag is (hetgeen gij nu al zult beginnen weten), en dat de tijd de gemakzucht van ons gemoed niet nalaat in de hand te werken, als ik mij aldus uitdrukken durf.

Als ik dus zeg, dat het Brusselsche volk - van bankier tot baliekluiver - zich op de toestanden heeft aangepast, dan moet gij daaruit begrijpen, niet dat het er zich bij neêrgelegd heeft, maar dat het zijne gelukkige karaktereigenschappen heeft weten te bewaren, en ze met goed gevolg bij de omstandigheden aanwendt.

Onder die eigenschappen noemde ik: praktisch verstand. Dit is weêr bij velen gebleken. Niet alleen is de verkoop op straat van allerlei eetwaren, en zelfs van boeken, vertienvoudigd en worden er twintigmaal meer kranten dan vroeger verkocht, maar talrijke kleine burgers, die zonder bezigheid vielen, gingen allerlei handel drijven, wisten plaatsjes te ontdekken, schaamden zich niet een stiel uit te gaan oefenen voor denwelken zij zich anders nooit bevoegd hadden geacht. Op deze wijze kon wat geld verdiend: het beste middel tegen verbittering.

Waarbij komt, dat het ons alles behalve aan ontspanning ontbreekt. Hierin is ons leven zoo goed als ongewijzigd. De Duitschers waren geene maand in Brussel, of een aantal kinema's opende weêr hunne deuren. Een nieuwe Vlaamsche volksschouwburg werd gesticht; een gedeelte van het personeel van den officieelen Vlaamschen schouwburg ging kort daarop het gewone tooneel bespelen, zoodat de tooneelliteratuur in onze moedertaal nooit meerderen luister kende. Er is nu ook een Fransche schouwburg gekomen. Verder worden in alle stadswijken revues opgevoerd, die titels voeren als ‘Uw sm... toe!’ een voorsmaak van het genot dat men er bij beleven kan...
Dit alles heeft aan Brussel veel van zijn vorig uitzicht teruggegeven. De Brusselaar, die trouwens onder de bezetting aan den lijve niet te lijden had, beantwoordt het met de uiting van zijn vorig, neen: zijn bestendig goed humeur. Sommigen maakt het misschien kregelig. Ieder echter geeft toe, dat het beter zóó is dan anders.

 
1 Mei 1916.

Had ik u niet gezeid dat de Brusselaar er iets op gevonden zou hebben? Niet dat de zaak er eenvoudiger op wordt: integendeel! Maar cijferen is ons zoodanig eene gewoonte geworden, dat het, zooniet in een behoefte, dan toch in een soort dilettanterig spel is ontaard, en eenmaal dat wij het zoover gebracht hebben, zouden wij waarlijk ongelijk hebben voor een nieuwe moeilijkheid terug te deinzen. Wij hebben het ding dan liever nog maar wat ingewikkelder gemaakt, en voor een eersten dag hebben wij er niet over te klagen gehad...

Het gaat, gij hebt het geraden, om het nieuwe uur. Om middernacht, oud-Belgische tijd, is het ineens twee uur, nieuw-Duitsche tijd geworden (een globe-trotter verzekert mij dat dit eigenlijk anders niet is dan: gewone Petersburgsche tijd; ik ben daar nooit in de buurt geweest, zoodat ik niet op de hoogte ben; maar zoo dit werkelijk zoo is, dan mag dit eene mooie zedelijke overwinning van de Russen heeten). Ik moet u bekennen dat ik vannacht op het middernachtelijke uur niet ben opgestaan om mijn klok te versteken; ik ben nog minder onder den toren gaan staan van het gemeentehuis mijner voorstad om den wijzer te zien verspringen. Ik hou nu eenmaal niet van zulke verstoring der natuurlijke orde: zij doet mij aan als futuristisch schilderwerk, en heeft op mijn zenuwen een invloed dien ik kan missen. Ik ben dan ook maar doorgeslapen, zonder mij om de uurwijziging te bekommeren, en eerst vanochtend heb ik er iets van gemerkt.

Ik moet zeggen: de eerste indrukken zijn aangenaam geweest: de post is een uur vroeger gekomen, en mijn barbier, die anders altijd een half uur te laat komt, was ditmaal een half uur te vroeg. Zegende ik deshalve den Duitschen zomertijd? Neen: ik wenschte me-zelf geluk met de poets die ik aan de Duitschers speelde: zij hadden gedacht, dat ik eerst tegen elf met mijn kranten en met mijn toilet klaar zou zijn, en ik was het al om negen. - Toen ik echter op straat kwam, zei mij de eerste kennis dien ik ontmoette, dat het geen negen uur was en trouwens ook geen elf, maar tien uur. Die kennis is namelijk een ambtenaar, en hij heeft kinderen die school gaan: des was het voor hem tien uur, als het voor mij negen uur was, en voor de Duitschers, alsook voor de pneumatische straathorloges, elf. - Gij begrijpt mij niet goed? 't Is nochtans zonneklaar: wij hebben tegenwoordig te Brussel drie soorten tijdmeting: de Greenwich-Belgische of oud-vaderlandsche, de zomer-Duitsche of officieele, en de tusschentijdsche, die met het Fransche zomeruur overeen komt en zelfs eenigszins voor semi-officieel kan gelden. Gij ziet dat het eenvoudig is: met een goede logarithmentafel kan men zich in minder dan vijf minuten uit den slag trekken; vóór men zijn berekeningsboekje openslaat, vraagt men alleen aan zijn toehoorder of hij een Duitscher is (wat doorgaans onnoodig is), of wel een Belg-uit-de-ambtenaarswereld of -met-schoolgaande-kinderen, ofwel, eenvoudig, een rentenier of een correspondent der N. Rott. Ct. In het eerste geval gebruikt gij den officieelen tijd (en waarom zoudt gij u tegen zulke beuzelarij verzetten? Er zijn ergere dingen gebeurd!); in het tweede geval het semi-officieele of Fransche uur (zonder op dat Fransche in aanwezigheid van Duitschers te drukken); en in het laatste houdt gij u bij dat oud, goed Belgisch uurtje, dat u heeft toegelaten, al de jaren van uw leven vóór 4 Augustus 1914, zoo dikwijls den tijd aangenaam door te brengen. - Ik weet niet of wij aan dat driedubbel systeem zoo heel spoedig zullen wennen; maar dat hoeft ook niet, vermits wij tijd hebben tot 1 October; en het houdt uw denkvermogen in beweging, wat in de lamheid der bezettingsmaanden toch ook niet zonder nut is.

Ik zeg dan ook maar tot mijne Hollandsche vrienden: hebt gij soms een zoon, die in wiskunde nu juist geen phenix is, maar daarentegen geen al-te-veel-eischende maag bezit: stuur hem naar Brussel, liefst met een officieele opdracht (dit vanwege het pas), en ge zult zien welke vorderingen hij na ettelijke maanden zal gemaakt hebben in het rekenen, - om niet van het vasten te spreken!

Hoe wij nu aan dat tusschentijdige uur komen, waarvan men liefst maar niet zeggen moet, dat het eigenlijk Fransch is? De meesten zullen het hebben aangenomen uit die eeuwige contramine-geest, die den gemoedsgrond uitmaakt van elken Belg in het algemeen en van elken Brusselaar in het bijzonder, zonder dat daar trouwens maar eenigszins moet bij gedacht worden aan georganiseerd of zelfs maar werkdadig verzet: uiting alleen van dat onafhankelijkheidsgevoel, waar wij groot in gebracht worden en dat ons in het bloed zit; enkelen zullen er bij juist aan dat Fransche gedacht hebben, waarover men het niet hebben moet; eindelijk is er het practisch nut: er is een officiëele afkondiging, waar ik alleen van onthouden heb, dat er spraak in was van 30 graden ten Oosten van Greenwich (zou dat niet eenvoudig Petersburg beteekenen? Waarom het dan niet openlijk gezegd? Wij hebben immers al genoeg uit te cijferen,), maar waarvan de zin kan samengevat worden aldus: alle scholen, alle kantoren, alle koffiehuizen, alle andere... ‘sociétés savantes’, zooals Alphonse Allais zou hebben gezegd, gaan op hetzelfde uur als voor den ingestelden zomertijd open en toe. Bij voorbeeld dus: om acht uur, - dat door den zomertijd feitelijk zeven uur werd. Gij stelt u voor, ik twijfel er niet aan, dat de rekenkundige marteling wat al te bar werd met zulk systeem; door de klok anderdeels één uur voor te steken bleef de proportie tusschen Belgisch en Duitsch uur dezelfde, één uur verschil, - eene vereenvoudiging, die niemand kwalijk nemen kan. En aldus namen de meesten dan het tusschenuur aan, natuurlijk privatim en zonder sanctie van het General-Gouvernement; en trouwens niet zonder inspanning; zoo kan ik mededeelen, dat de Kamer der Brusselsche Notarissen drie uur over het ding heeft gedelibereerd, en niet zonder moeite is 't akkoord gekomen...

Zij, die intusschen geen ambt bekleeden dat bezigheid op vaste uren oplegt, behouden op hunne klokken dat antiquarisch curiosum: ons oud-Belgisch winteruur. Zij willen noch van Petersburg, noch van Parijs weten, om van Berlijn te zwijgen. Misschien zijn zij wel de eenige patriotten, die een zuiveren blik op de toekomst hebben... Maar genoeg hierover: laat ons op de gebeurtenissen niet vooruitloopen. Waar het trouwens op niets anders aankwam dan op de vermelding, dat wij, in al onze armoede, er toch nog eene driedubbele tijdrekening op na houden...
 
14 September 1918.

Onder het vele beklemmende en verbitterende dat de oorlog ons bezorgt, is het gevoel, hoe relatief de menschelijke waardigheid en het menschelijk geweten zijn, zeker het schrijnendste en het brutaalste. Zeker, ook vóór de cataclysmen behoefde men waarlijk geen ongeneeslijk pessimist te wezen om het bestaan eener algemeen-gangbare moraal te betwijfelen. Maar wat de beschaving ons dan toch had geleerd: eene zekere schaamte om wat men aan al te leelijks aan ons mocht ontdekken. Men vergeeft het een melaatsche moeilijk, dat hij onsmakelijke wonden vertoont: het besef daarvan was reeds voldoende om de eigen zedelijke lepra zorgvuldig te besluieren.

Aangenomen dat heel ons maatschappelijk leven eene conventioneele leugen is, bleef daar toch dat men nog steeds het goede pleegt te beloonen en het kwade te straffen: het volstond, dat het kwade zich placht in de kleêren van het goede te steken, en, al verkeerde daardoor nog geenszins des kwaden aard, iedereen bevond er zich best bij, om dezelfde reden, die een verborgen gevaar tot een half gevaar vermindert.

Verre van mij de gedachte, hier eene apologie te schrijven van zulke schijnheiligheid, - hoe ze dan ook het gemeenschapsleven draaglijk maakt, wat haar dan ook reden geeft tot bestaan. Waar ze echter verdwijnt om plaats te maken voor de absolute amoraliteit in al hare joviale afschuwelijkheid, dan gaat men haast om de leugen roepen als om eene bescherming. Het is het gevoel dat thans, in eene stad als Brussel, domineert bij elk wie nog hechten blijft aan de eigene eerlijkheid en aan de ongereptheid daarvan: eene illusie, zullen thans meer dan ooit sommige cynici meenen, maar dan toch eene reddende illusie, en die ons den voor het oogenblik eenig-mogelijken vrede schenkt, den vrede met ons-zelf.

Ik waag mij hier niet op de gangpaden der politiek. Ik wil het zelfs niet hebben over wat men doorgaans ‘de openbare zedelijkheid’ noemt, al neemt de prostitutie te Brussel toe in eene mate, die alle statistiek trotseert. Ik zal alleen spreken van de gewone maatschappelijke verhoudingen, van ons dagelijksch sociale leven, dat een dagelijksch sociaal lijden is geworden niet alleen voor wie met ondergang wordt bedreigd - en zij zijn velen! - maar evenzeer voor wie, zelfs zeer koelbloedig en zoo onpartijdig mogelijk, den ommekeer vaststelt die onze zeden aan het ondergaan zijn.

Die maatschappelijke verhoudingen, gelijk ze te Brussel waren vóór den oorlog: men kent ze. Eene drievoudige aristocratie stond er tegenover eene drievoudige burgerij, zonder dat er van strijd tusschen kapitaal en arbeid spraak kon zijn. Erfelijke adel, geldadel, geestelijke adel, zij vonden hun weêrslag in ambtenaarswereld, winkelburgerij en kleinburgerij, in welke laatste de beste werklui, die in eene stad als Brussel een aardig loon verdienen, konden begrepen worden. Een echte werkmansstand is er wel: hij is echter niet te vergelijken met dien uit de Belgische nijverheidscentra en heeft er maatschappelijk veel minder belang.

Bij zulke verhoudingen nu speelde het geld eene geringe rol. Het aanzien - hier kwam het op aan - werd niet gemeten naar het fortuin. Ik moet hier, tot mijn spijt, den geestesadel uitschakelen: een artiest werd in België niet algemeen geacht, dan nadat hij veel geld had verdiend; daar dit alleen voor plastische kunstenaars en enkele muziekvirtuozen mogelijk is, zijn letterkundigen hier geheel bij uitgesloten; sedert 1830 zijn daar niet meer dan een vijftal uitzonderingen op, waaronder ééne enkele Vlaamsche. Al verhaast ik mij hier aan toe te voegen, dat vlak vóór den oorlog ook in deze verandering en verbetering merkbaar scheen. Buiten bedoelden geestesadel is daar echter de ambtenaarsstand, en die genoot wèl aanzien, al werden ten onzent de ambtenaren zeer slecht betaald en al kan iedereen er het brengen tot directeur-generaal in een ministerie, - mits geduld en steun, natuurlijk. Hoe democratisch dan ook het stelsel zij, blijft in België een hooger ambtenaar steeds beschouwd als iemand van een hoogeren rang dan b.v. den rijkste der winkeliers, zooals een totaal geruineerde edelman het er wint op een fabrikant, al zwom deze in millioenen. Dit gold vooral voor de hoofdstad: al is het standsgevoel hier veel geringer dan in Holland, het blijft scherp genoeg om de menschen uiteen te houden, en dit niet alleen vanwege het geld, dat zij verdienen of bezitten.

Aldus, zooals ik zei, vóór den oorlog.

En nu?
Het valt op te merken, dat de levensstandaard zoo verbijsterend-hoog is gestegen, dat velen aan het geld niet de minste waarde meer hechten. Een klein gezin kan tegenwoordig niet meer leven, alle mogelijke zuinigheid in acht genomen, beneden de duizend frank in de maand. Nu zult gij mij wel op mijn woord gelooven, als ik u verzeker, dat het getal lieden, die nog duizend frank inkomen per maand verdienen - een betrekkelijk groote som vóór den oorlog -, vrij gering is geworden. Voornoemde ambtenaren bijvoorbeeld, waar heel wat handelsklerken, boekhouders, enz., die hun ontslag namen of werden afgedankt, bij te voegen zijn, kunnen thans niet rekenen dan op veel geringere inkomsten, terwijl het leven vier- en vijfmaal duurder geworden is. Heel wat fabrikanten, groote en kleine, verkeerden in hetzelfde geval; met een aantal handelaars is het niet beter gesteld; om dan nog niet te spreken van de, vóór den oorlog zeer welgestelde werklui, die thans aangewezen zijn op de volkssoep en eene schrale ondersteuning. Nochtans blijft er een zekeren stand op na te houden, meer: er is een natuurlijk verzet tegen de ondergane vermindering. En zoo koopen wij nog pakjes sigaretten die zes frank vijftig, en drinken wij apéritifs die er drie kosten, - al is onze beurs daar alles behalve tegen bestand. Doch, al bekommeren wij ons blijkbaar veel minder om ons geld dan vroeger het geval was (en die zorgeloosheid is eene weldaad te noemen), het spreekt van zelf dat hij, die het meeste geld heeft, natuurlijk het gemakkelijkst door het leven komt en, bij de heerschende ellende, den meesten naijver en weldra het meeste respect verwekt, - al is dat respect van een minder soort. En zoo komen wij te staan voor het verschijnsel, dat voormelde verarmde ambtenaren en andere lotgenooten, hoezeer zij zich ook tegen het leven weren, onder moeten doen in het, wel is waar wrokkige en schampere, aanzien der menschen voor diegenen welke onder den oorlog geld hebben weten te kloppen in zulke mate, dat zij de meesters der stad geworden zijn.

Een wrokkig en schamper aanzien. Want iedereen weet wel hoe ze aan hunne honderdduizenden, sommigen zelfs aan hunne millioenen gekomen zijn. De naam, waarmede ze meer dan hun belieft, achterna worden geroepen, is schilderend genoeg; men noemt ze: baron Zeep. Het zijn de lieden die het ossenvet ad vijf en zeventig frank, het vet dat de gemeentewinkels verstrekken en dat ze tot veertig frank betalen, van de slachters, en ook van arme hongerlijders, die het voor hun gezondheid zoo noodig hebben, opkoopen, om het in geheime ziederijen om te zetten in zeep, die, hoe hoog de grondstoffen ook komen te staan, eene reusachtige winst oplevert. Het zijn de weinig-kieskeurige burgers die de suiker aan de openbare voeding onttrekken - zij betalen ze tot vijftien frank het kilo, - om ze, in eene der twee honderd vijf en zeventig clandestiene stokerijen, die in de laatste maanden werden ontdekt, om te zetten in slechten alcohol die veertig frank de flesch wordt betaald. Het zijn de opkoopers en grootsmokkelaars die de markt beheerschen, de rijken uitpersen, de armen uithongeren en - die men in de restaurants goede sier ziet maken, al weet men dat ze vóór den oorlog niet dan een zeer precair leven leidden, als handelsreiziger, als telegrafist, als onderwijzerken met een huis vol kinderen...

Een wrokkig en schamper aanzien. Maar een aanzien tóch. Want, al heeft voor een zekeren middenstand het geld geen waarde meer: voor heel velen, voor de meesten is het de grootste, de eenige bezorgdheid geworden. Gelukkig dat de oorlogskansen nu en dan keeren, van de eene partij op de andere overslaan; waren wij, in dit vijfde jaar van rampen, van deze emoties gespeend, dan zouden wij aan niets anders meer denken dan: aan eten, aan het stoffelijk voortzetten van een ellendig bestaan.

Wij zouden aan niets anders meer denken, dan aan het eenige middel om ons het eten te verzekeren: aan geld, aan geld-verdienen, aan geld-... ik durf niet schrijven, wat ik meen, maar stel vast dat in een paar voorsteden een bijzonderen politiedienst is moeten ingesteld worden tegen nachtelijke inbraken, diefstallen en manslag... Is het een wonder dat Baron Zeep, dat oorlogswinstsymbool, wél veracht, maar in petto toch ook geëerbiedigd, en door velen zelfs bewonderd wordt? Het is om van te huiveren...

Ziedaar wat de oorlog van de Brusselsche zeden, van de maatschappelijke verhoudingen gemaakt heeft. Onlangs kwam ik bij een kennis: een eerlijk man, ik bedoel een man die vroeger op het stuk van eer zeer prikkelbaar was, al had hij om van te leven niet meer dan een traktement van een vijfduizend frank in het jaar. Ik vond zijn tweejarig zoontje spelend met een hoop trambiljetten, die hij dooreen smeet en dan weer samengrabbelde. ‘Ik speel met mijne Marken, gelijk papa’, zei de kleuter, - terwijl de papa een kleur kreeg.

Nochtans is, ik zou er een eed op doen, die papa een eerlijk man gebleven, - maar zijn eerlijkheidsgevoel heeft niettemin eene transponeering ondergaan, is bij de nieuwe bezigheid, die het onderhoud van zijn gezin hem heeft opgelegd, aan het begrip eerlijkheid eene waarde gaan hechten, die er ongetwijfeld eene vermindering van is. En nu rijst de vraag: zal die man ooit tot zijne vorige opvatting - eene misschien al te absolute maar dan toch hoogere en edelere opvatting, - terugkeeren?

Men kan het betwijfelen...
 
Karel van de Woestijne,  Verzameld werk. Deel 8. Het dagelijksch brood II. Dagboeken en brieven over den oorlog 1914-1918, 1950