Menu

Desertie tussen individualisering, de civiele samenleving, macht en markt

Desertie tussen individualisering, de civiele samenleving, macht en markt


de militaire geschiedenis vanuit het perspectief van het weglopen

Omheen de deserteur hing lange tijd een vreemde stilte.  De militaire geschiedschrijving hield zich enkel bezig met de soldaat die vocht of die op zijn minst ter beschikking stond en niet zomaar wegliep. Deze stilte is van relatief recente datum, want in de 18e eeuw nog was de desertie een druk besproken onderwerp.  Maar toen verstomde het discours, en wel te beginnen bij de deserteur zelf.   Waarom ?



Het is ondertussen gemeengoed bij historici dat elk leger de verhoudingen en tegenstellingen van de omringende samenleving weerspiegelt.  Dat dit ook geldt voor de deserteurs in het leger is echter een nieuwer inzicht.  Het is pas als de geschiedschrijving ook de deserteur mee onder de loep neemt dat een echte volledige militaire geschiedenis kan geschreven worden.  Het is dan het verhaal van contradicties die zich om en rond de legitimiteit van militair geweld ontvouwen.

Het inzicht dat de deserteur ons fundamentele inzichten in de essentie van het militarisme - en van maatschappelijke context - kan bijbrengen, dateert uit de jaren 1970 / ’80.  Desertie raakt de politieke autoriteit en de legitimiteit van haar geweldgebruik in het hart.  Elk leger brengt zijn eigen deserteurs voor.

Elk leger zijn eigen deserteurs

De geschiedenis van de moderne oorlogsweigering begint eigenlijk al vóór de ‘uitvinding’ van de desertie.  In de toenmalige huurlingenlegers zijn de ‘beroepssoldaten’ zich bewust van hun ‘syndicale’ rechten en aanspraken.  Ze organiseerden zich via vertrouwenspersonen, vergaderingen, collectieve weigeracties tot en met gewelddadig oproer.  Tijdens de Dertigjarige Oorlog speelden muiterijen, vaandelvlucht en andere vormen van weglopen een doorslaggevende rol bij het behalen van militaire successen.  Maar pas bij de oprichting van een ‘staand (permanent) leger’ in de tweede helft van de 17e eeuw kan men van de ‘uitvinding van desertie’ spreken.  Hierop sluiten dan in de 18e eeuw de hoogdagen van de deserteur aan.  Uit die tijd stamt bijvoorbeeld “Der arme Mann aus Tockenburg” van Ulrich Bräker die zelf deserteur was en zijn levensverhaal te boek stelde.  Ook Magister Laukhard en Johann Gottfried Seume gingen er in hun geschriften prat op deserteur te zijn.  In deze tijd ontstonden ook talloze deserteursliederen.  Dit was allemaal maar mogelijk, omdat desertie in deze periode zeer veel voorkwam en ook van groot belang was.

Het einde van de 18e eeuw is een keerpunt - en toch niet helemaal.  De nationaal-emotionele mobilisatie droeg bij tot een nieuw type soldaat, maar de deserteur veranderde niet mee.  Tijdens de revolutionaire dagen van 1848-49 maakten deserteurs nog eens een politieke vuist.  Soldaten die tegen de revolutionaire in Duitsland werden ingezet, weigerden soms collectief dienst en sloten zich massaal bij het revolutionaire volksleger aan.

In de daaropvolgende jaren zet de individualisering van de deserteur zich verder door, maar nu in de nieuwe ‘gemoderniseerde’ vorm.  De deserteur wordt als ‘zieke’ ontdekt, en als ‘hysterisch geval’ gepsychiatriseerd.  Op het terrein leidt dit tot afzondering en uitsluiting van de deserteur uit het leger als gemeenschap van ‘defensie-waardigen’.  Dit was een opmerkelijke omkering ten opzichte van eerdere praktijken van straf en gedwongen re-integratie.

Werd de deserteur in het Keizerlijke leger tot een verwaarloosbaar fenomeen, dan trad hij in de Eerste Wereldoorlog weer helemaal op het voorplan.  In 1918 kwam het zelfs tot een ‘gecamoufleerde legerstaking’ (het kerstbestand).  De psychiatrisering van de deserteur zette zich door en maakte zelfs dat er opvallend weinig straffen werden uitgesproken.  De doodstraf ten gevolge van desertie werd gedurende de hele oorlog ‘slechts’ 49 keer door de Duitse militaire rechters uitgesproken en ‘maar’ 18 keer voltrokken.

Dit veranderde totaal met het nazi-regime en de Tweede Wereldoorlog.  Na de ervaring van 1914-1918 werd de uitroeiing van de deserteur als ‘nationale plaag’ een officieel programmapunt. Met 22.750 doodvonnissen en ten minste 15.000 executies (cijfer enkel voor het nazi-landleger) bereikte de aanpak van de deserteur een hoogtepunt aan brutaliteit.  Zelfs vanuit een louter militair oogpunt was dat totaal contraproductief.  Hoewel de militaire rechtspraak in haar drang om deserteurs te doden nog verder ging dan de persoonlijke richtlijnen van Hitler van 1940, duurde het tot de jaren ‘80 en '90 vooraleer dit onrecht het voorwerp van kritisch onderzoek werd (zie ook blogbijdrage van Ludwig Baumann).

In de DDR ging het aantal deserteurs op en af - met hoogtepunten rond 1952-1953, 1960-1961 en 1989-1990.  De schommelingen lopen gelijk met vluchtelingenstromen en met burgerlijke onrust.  Het aandeel officieren en onderofficieren bij de deserteurs was uitzonderlijk hoog.  De DDR stelde zich vanuit ideologisch oogpunt onverzettelijk streng op tav deserteurs.  In de BRD daarentegen sloot men eerder aan bij de keizerlijke traditie.  Er kwam een recht op dienstweigering en daarenboven werd de medische keuring gebruikt om potentiële "onruststokers en mislukkelingen" preventief de toegang tot de kazernes te ontzeggen.   Psychiaters moeten beoordelen of vanuit iemands achtergrond een problematische ‘carrière’ voorspeld kan worden.  Het kwam ook goed uit dat er door de technologische ontwikkelingen ook minder personeel nodig was.

Geschiedenis zonder psychologie?

In de geschiedkundige bestudering van de deserteur is dat psychologisch perspectief helaas vaak buiten beschouwing gelaten.  Nochtans kan de psychologie veel vragen opwerpen.  Waarom mensen vechten in een oorlog ?  Waarom kunnen ze zelfs plezier beleven aan het doden ?   En waarom lopen ze weg ?  Angst, bijvoorbeeld, speelt bij desertie een belangrijke rol, maar is weinig door historici onderzocht.  Waarom verwijderen mensen zich van het strijdtoneel ?  Maar waarom doen ze het ook in vredestijd - en waarom blijven anderen koppig bij 'hun' eenheid ?

Historici hebben de neiging om complexe fenomenen zoveel mogelijk met simpele verklaringen te duiden.  Zo wijzen ze wel op het aantasten door deserteurs van de politieke heerschappij en het monopolie dat ze opeist op de uitoefening van legitiem geweld.  Maar desertie raakt nog zoveel andere thema’s aan, zoals bijvoorbeeld de economie of de gezondheidszorg en de verhouding tussen mannen en vrouwen.  Maar dat is allemaal nog niet bestudeerd.

Het is ook interessant zijn om regionale vergelijkingen te maken.  Het lijkt erop dat desertie in de 18e eeuw uit de legers van de grote mogendheden - Pruisen, Oostenrijk, Frankrijk - een andere omvang en karakter had dan de desertie uit de legers van Duitse middelgrote en kleine staten.  De legers van Hongarije en Kroatië haalden hun kracht uit het feit dat ze multi-etnisch waren samengesteld en dus ook minder kwetsbaar waren voor desertiegolven van bepaalde bevolkingsgroepen.  Bekend is bijvoorbeeld de hardnekkige desertie van Bretoenen uit het Franse en van Sileziërs uit het Pruisische leger.  

Van muiterij naar desertie

Als je de geschiedenis overloopt, dan vind je verschuivingen in soorten desertie terug.  Er is een breuklijn tussen de manier van dienstweigeren in de oude huurlingenlegers voor de 18e eeuw en dan in de klassieke staande leger van het absolutisme.  Een tweede scheidslijn loopt tussen desertie als strafbare vorm van dienstweigeren in de periode van de vorming van de natiestaten en desertie als "afwijkend, abnormaal gedrag" in de daaropvolgende modernistische periode.  De weigering in de vroegere huurlingenlegers kon vele vormen aannemen, maar had altijd iets collectiefs.  Het kon het gevolg zijn van onderhandelingen of van protest door verkozen afgevaardigden, maar ook van collectieve verontwaardiging ten gevolge van een concreet voorval.  Het individu dat besloot te deserteren kreeg weinig aandacht.  Desertie als muiterij of collectief weglopen, kwam toen eigenlijk neer op een vorm van staking, werkonderbreking of zelfs -beëindiging die vanuit een zelfgeorganiseerde soort vakbond was gegroeid.   Men kan zeggen dat huurlingen toen een vorm van directe democratie hadden en op hun Algemene Vergadering konden besluiten om in opstand te komen tegen de legerleiding.  Zo is bekend dat in 1527 Georg von Frundsberg een beroerte kreeg, omdat hij zo onder de indruk was van een dergelijke muiterij, en in 1516 Keizer Maximiliaan van zijn troon geschreeuwd is en als ‘schertskeizer’ bijna werd gelyncht.

Huurlingen voelden zich soms meer verwant met hun volksgenoten dan met hun militaire opdracht.  In 1525 bijvoorbeeld zou een huurlingenleger ingezet worden om een boerenopstand te onderdrukken.  Maar de soldaten weigerden en noemden de boeren volgens overgeleverde documenten ‘ire frainde’ (hun vrienden), ‘ire ernerer’ (hun voedselgevers) en zelfs ten dele ‘ire vatter, bruder und schweger’ (vaders, broers en zwagers).

Van echte desertie kan men pas spreken wanneer de legers een verstaatlijkte en gedisciplineerde vorm hebben aangenomen.  Alles moet passen en gepland zijn in zo’n leger en er is geen plaats meer voor zelforganisatie van soldaten en muiterij.  In zo’n geoliede militaire machine is enkel nog plaats voor individuele weigering, en de individuele beslissing om weg te lopen.  Anderen besluiten om zichzelf te verminken of zelfmoord te plegen.  In zo’n autoritair systeem is desertie een eedbreuk en dienstweigering en wordt het individu vervolgd.  In die zin is het verschijnen van de deserteur een eerste teken van de individualisering van de maatschappij.

Van heimwee naar vrijheid en vaderlandverraad

Heimwee is een indicator voor een maatschappij in verandering   Dit begrip dook voor het eerst in 1569 op en kreeg pas later in de 17e eeuw haar huidige betekenis die meer bij ‘nostalgia’ aansluit.  Oorspronkelijk was het een syndroom samengesteld uit zwaarmoedigheid, vertraagdheid, verlies van eetlust,  koortsigheid en nog andere vage klachten.  Bij soldaten was het een voorteken van desertie, maar het kon ook tot de dood leiden.  Het werd voor het eerst bij Zwitserse soldaten in het buitenland vastgesteld.  In de 18e eeuw ontvouwde zich dan een medische discussie over dit lijden.  Bij heimwee botsten het individuele en het collectieve op elkaar.  De heimat stond voor dat gemeenschappelijke, en bij de deserteur gaf uiteindelijk een ziekelijke hang naar verbondenheid de doorslag.  Er werd gezegd dat een bepaald type Zwitserse muziek de ziekte kon veroorzaken.  Heimat en heimwee werden in de Romantiek tot literair product verheven.  En de typische deserteursziekte stond model voor een algemeen gevoel met sentimentele ondertonen dat naar een vage biografisch-topografische verbondenheid verwees.

We bevinden ons ondertussen in de overgangsperiode naar het moderne industriële tijdperk.  In een context van omwentelingen, beginnende democratie en emotionele natievorming ontstaat een nieuw type soldaat, gekenmerkt door enthousiasme en een mobilisatie die zowel een eigen keuze als een verplichting is.  Hierbij sluit ook een nieuw type deserteur aan.  De eerste tekenen daarvan zien we in de Onafhankelijkheidsoorlog in de VS.  De deserteur krijgt politieke motieven, "voor de vrijheid, tegen de slavernij" - "Vrijheid of Dood". De opstanden van 1806 in Hessen, Beieren en Westfalen tegen de dienstplicht opgelegd door de Franse bezetter tonen hoe de deserteur partij begint te kiezen in nationale conflicten.  In 1809 is er de desertie van een heel vrijwilligerskorps onder leiding van de Pruisische majoor Ferdinand von Schill, later de rebellie in Tirol rebellie en de guerrilla-oorlog in Spanje.  Er zijn grote regionale verschillen in het aantal soldaten dat deserteert die etnisch-nationalistisch kunnen verklaard worden — bv tussen Bretagne en Frankrijk, en later tussen de Elzas-Lotharingen en het Duitse Rijk.

Enerzijds kon deserteren nu als de staats- en volksverraad gezien worden.  Dit werd verwoord in het nieuwe begrip ‘vaandelvlucht’ dat een bijsmaak van lafheid kreeg.  Anderzijds kon desertie echter ook een positieve bijklank krijgen, namelijk als “afwending ten opzichte van de vlag van de verknechting en als toewending naar de vlag van het Vaderland, van de Vrijheid en van de Nationale Trots” (1812, Freiherr vom Stein, minister in Pruisen).  De toenmalige desertie moet dus verstaan worden in het licht van een nieuwe kijk op een ‘volk’, als mengeling van volksdemocratie, volksregering, en volk als nieuwe macht tegen troon en altaar - en ‘natie’, bv. de Duitse, Franse etc. natie.  Zo viel een Pruisisch elitekorps door desertie uit elkaar, omdat het uit ‘vrijwilligers’ was samengesteld die van overal konden komen.  

Daarnaast blijft natuurlijk ook de ‘oude’ apolitieke desertie bestaan.  Het individuele ‘weglopen’ zonder politiek statement wordt zelfs nog wat populairder nu de opkomende natiestaten actiever voor hun legers gaan mobiliseren.  Niet toevallig breekt dan ook de tijd aan van de legendarische roverbendes die vaak grotendeels uit deserteurs bestonden.  In de revolutie van 1848-1849 zien we individuele politieke deserties en zelfs ook opnieuw massadeserties, legereenheden bijvoorbeeld die in groep ‘overlopen en de kant kiezen van het volk’.   Zo’n desertie kon gepaard gaan met volks- en vrijheidsfeesten, met muziek en trommelslag, met vrijheidsliederen en theatrale ‘aansluiting bij het volksleger’.  Toch mag deze periode niet geromantiseerd worden en waren de motieven van de deserteurs heel divers en vaak ook apolitiek.

‘Hysterie’, ‘publieke vijand’ en ‘probleemgevallen’

1848 was van voorbijgaande aard.  De politisering van de deserteur verliep niet lineair.  Verrassend genoeg verdween de deserteur in het verdere verloop van de 19e eeuw (om weer op te duiken in het begin van de 20e en daarna in de jaren ‘80) uit het militaire en maatschappelijke blikveld.  Desertie werd een diagnose die psychiatrisch experten moesten stellen en het wees op een ‘geestelijke afwijking’, een ‘abnormaal, ziek brein’ en op erfelijke ‘morele degeneratie’.  Van een typische deserteur werd gezegd dat hij gekenmerkt werd door overstimulatie en emotionele labiliteit, en dat hij leed onder epileptische of hysterische toevallen. Het gevolg hiervan was dat de deserteur niet als een crimineel moest gestraft maar als een zieke verzorgd worden.  En dat zou in Duitsland zo blijven tot in de Eerste Wereldoorlog.

Een aspect dat hierbij meestal over het hoofd gezien wordt, is de ‘feminisering’ van de deserteur.  Hysterie was aan het einde van de 19e eeuw een typisch vrouwelijke stoornis en door van de deserteur een hystericus te maken ontnam met hem zijn man-zijn en werd hij vervrouwelijkt.  De individualisering van de deserteur is zoals reeds de 18e eeuw, dus geen maatschappelijke tendens naar bevrijding maar een machtstrategie.  En ook nu kan aan de hand van de deserteur de veranderende betekenis van het begrip volk en van het maatschappelijk middenveld geduid worden.  Door de deserteur als "minderwaardig element" te bestempelen wordt duidelijk dat de maatschappelijke spanning zich niet meer bevond tussen een zich emanciperend volk en de verknechting, maar dat er een nieuwe spanning zichtbaar werd tussen volk en individuen die uit de boot vallen.  In een poging om dit op te lossen werd de deserteur als een ‘zieke’ beschouwd die zijn plaats in de gemeenschap kan behouden maar een apart statuut krijgt.  In de Tweede Wereldoorlog evolueerde dit ‘uitsluiten’ van de deserteur tot het feitelijk ‘uitroeien’ van de deserteur als publieke vijand.  

Door de hoogtechnologische ontwikkelingen in het militair apparaat komt ook de deserteur weer in een ander licht te staan.  Meer dan voorheen probeert de legerleiding nu ‘probleemgevallen’ tijdig te detecteren, zodat ze uitgesloten kunnen worden.  Dit isz een vorm van marginalisering maar de legerleiding zelf stelt het voor als een opwaarde”ring van de ‘menselijke factor’ binnen een hoogtechnologische omgeving.  In de high-tech legers zoals ze bijvoorbeeld tegen Irak in 1991 en tegen Servië in 1999 werden ingezet, lijken klassieke deserteurs, de ‘weglopers’, geen plaats meer te hebben.  En toch stellen we sinds de jaren ’70-’80 een vernieuwde maatschappelijke aandacht en sympathie voor de deserteur vast.  En dit gaat samen met de uitbouw van legervakbonden (in Denemarken sinds 1950).  Misschien zijn er dus nog wel verrassingen te verwachten.

Zo is het bijvoorbeeld nog onduidelijk wat de gevolgen zullen zijn van de verhoogde aanwezigheid van vrouwen in het militair mannenbastion.   Zal de ‘hystericus’ daardoor extra gemotiveerd zijn om te deserteren ?  Of zullen zijn motieven juist wegvallen ?  En zal de geschiedenis van de deserteur een nieuwe hoofdstuk krijgen onder de titel geschiedenis van de ‘desertrice’ ?  We mogen in ieder geval aannemen dat met de evolutie naar een leger van ‘burgers in uniform’ er geen einde komt aan de praktijk van deserteren.  De geschiedenis laat zich schrijven aan de hand van twee bewegingen die soms samengingen en soms ook niet :  individualisering (“ik loop weg”) en gemeenschapsvorming ("wij hebben er genoeg van...").  

Henning Eichberg, Kopenhagen

Henning Eichberg (°1/12/1942 in Schweidnitz, Silezië) is een Duitse socioloog en historicus, verbonden aan de University of Southern Denmark in Odense.  Hij spcialiseerde zich in de filosofie van de lichaamstaal en schreef veel over volk en natie

Het originele artikel kan nagelezen worden in Zeitschrift für Historische Forschung, 27, 2(2000): 229-247
Desertion zwischen Individualisierung, Zivilgesellschaft, Macht und Markt
Militärgeschichte aus der Perspektive des Weglaufens

Dit is een samenvatting van deel 1 van dit lange artikel.  Een samenvatting van deel 2 verschijnt binnenkort op deze blog en zal verder ingaan op de tegenstellingen die in de figuur van de deserteur tot uiting komen.