Menu

Ongehoorzaam in donkere tijden

Ongehoorzaam in donkere tijden

  In Bertolt Brechts beroemde gedicht ‘An die Nachgeborenen’ (1934-1938) klinkt het zo : “Wat zijn het toch voor tijden, waarin een gesprek over bomen haast een vergrijp is, omdat het een zwijgen over zo veel onmenselijke daden insluit !”   De tijden waarover hij schrijft, noemt Brecht ‘donker’, een karakterisering die Hannah Arendt dertig jaar later zal overnemen in de titel van haar essaybundel Men in Dark Times (1968).

(Christof Grootaers - Column & essay RectoVerso Nr. 67 juni - juli 2015 Dit artikel maakt deel uit van het dossier Verzetje hoger)

Wie zijn die mannen en vrouwen in donkere tijden ?  Waarin onderscheiden zij zich ?  Zij braveren de sluipende eensgezindheid van de openbare mening die de komende catastrofe toedekt, banaliseert of wegredeneert en die recht noemt wat krom is.  Zij bieden het hoofd aan de doorsneepraat en het alledaagse conformisme dat de onderdrukking en de uitsluiting van steeds meer mensen vergoelijkt.  Zij doorzien de leugentaal en dubbelspraak van de macht.

Het vergt persoonlijke moed om in te gaan tegen de menigte, er niet bij te willen horen, de marsrichting de rug toe te keren.  In tegenstelling tot de mannen en vrouwen in Arendts boek, kiezen velen van ons, in de donkere tijden waarin we vandaag leven, de weg van de minste weerstand.  Wij voegen onze stem bij wat Martin Heidegger in Sein und Zeit (1927) het ‘Men’ (das Man) heeft genoemd.  Wij gaan op in het leven zoals ‘men’ het leeft.  Wij geven onze existentie uit handen aan ‘de anderen’ die op hun beurt, als in een mentale estafette, precies hetzelfde doen.  Iedereen is elkaars plaatsbekleder en ontslaat de ander van diens eenzame verantwoordelijkheid.  “Op die manier”, schrijft Heidegger, “onopvallend en onzichtbaar, ontplooit het men zijn eigenlijke dictatuur.”  Wij genieten en amuseren ons zoals men geniet ; wij lezen, zien en oordelen over literatuur en kunst zoals men ziet en oordeelt ; wij vinden aanstootgevend wat men aanstootgevend vindt.  “Men is op onzelfstandige en oneigenlijke wijze”, besluit Heidegger zijn donkere oordeel.

Zoek het licht

Laat die onzelfstandigheid nu net het menselijke manco zijn waarmee Kant zijn antwoord op de vraag Was ist Aufklärung ? (1784) begint.  “Even in the darkest of times we have the right to expect some illumination”, schreef Arendt in haar inleiding bij Men in Dark Times.  Met die aanspraak op het verhoopte licht had ze niet Kant in gedachten en evenmin de historische verlichting ‘die uitgaat van theorieën en concepten’.  Neen, het licht bij Arendt is veeleer van de orde van een menselijke attitude, het ‘onzekere, flikkerende en vaak zwakke licht dat sommige mannen en vrouwen in hun leven en werk onder bijna alle omstandigheden zullen ontsteken’.  Arendts typering van het licht heeft een morele en psychologische component die heel weinig te doen heeft met het abstracte gehalte van ‘theorieën en concepten’.  De mannen en vrouwen die Arendt in haar boek opvoert – op bepaalde manier allemaal mensen-in-verzet – leggen allereerst moed en doorzettingsvermogen aan de dag, voordat hun daarbovenop bijzondere intellectuele en organisatorische kwaliteiten worden toegeschreven.

Maar bij Kant gaat het er net zo aan toe.  Wie bevreesd is voor een speculatief en abstract antwoord op diens vraag ‘Wat is Verlichting?’, wordt aangenaam van zijn à propos gebracht door de openingsparagraaf, waarin de wijsgeer onomwonden appelleert aan de menselijke inborst die geen bijzondere kennis vooronderstelt : “Verlichting is het uittreden van de mens uit de onmondigheid die hij aan zichzelf te wijten heeft.  Onmondigheid is het onvermogen zich van zijn verstand te bedienen zonder de leiding van een ander.  Men heeft deze onmondigheid aan zichzelf te wijten, wanneer de oorzaak ervan niet in een gebrek aan verstand, maar in een gebrek aan vastberadenheid en aan moed ligt, zich van zijn verstand zonder leiding door een ander te bedienen.  Sapere aude : ‘Heb de moed je van je eigen verstand te bedienen!’ is derhalve de zinspreuk van de Verlichting.”  Niet onwetendheid of ongeletterdheid, maar ‘luiheid en lafheid’ (‘Faulheit und Feigheit’) en het ontbreken van vastberadenheid zijn er dus voor Kant de oorzaak van dat een groot deel van de mensen hun leven lang onmondig blijven en hun autonomie overdragen aan een voogd.

Het verschil met Heidegger is niet onbelangrijk.  Bij Kant heeft de voogdij nog een gezicht : het is de denker, arts, priester of predikant op wie de betuttelde mens zijn morele en intellectuele meerderjarigheid overdraagt.  Wie volgens Kant zelfstandig wil denken, moet durven ingaan tegen wat wijzen, artsen en predikers in zijn plaats hebben gedacht en voorgeschreven.  De voogdij bij Heidegger heeft daarentegen geen herkenbaar gezicht meer : een onoverzichtelijk aantal kleine en minder kleine capitulaties van het dagelijkse oordeel hebben zich in een diffuse nevel verenigd, in een atmosfeer die wij allemaal, of we nu willen of niet, in- en uitademen, tot we als wandelende tak naadloos opgaan in onze omgeving en ons zelf niet meer kunnen indenken dat de schutkleur die wij dragen, niet van ons komt, maar ontleend is aan het collectieve ‘men’.

Vandaag is autonoom oordelen en handelen dus moeilijker dan ooit.  Wie tegen zijn neoliberale schutkleur in het verweer gaat en ongehoorzaamheid wil betrachten aan zichzelf en aan het oorverdovende geroezemoes van macht en media, staat een lange, pijnlijke en uitputtende strijd te wachten.

Durf te denken

Toch blijft Kants ‘sapere aude’, ‘durf te denken’, een formidabele oproep die evengoed onze achttiende-eeuwse voorouders als onszelf wakker houdt, ongeacht aan welk soort voogdij wij onze wijze van denken moeten ontrukken.  Zijn ironische uithaal aan het adres van de bevoogders die ‘in alle goedheid’ hun oppertoezicht over ons behartigen, roept de vraag op of ook wij vandaag niet hier en daar een gezicht op de voogdij kunnen plakken.  Zou achter dat anonieme Men, dat sinds Heideggers dagen zijn dwingelandij uitoefent, niet af en toe toch een herkenbaar iemand schuilgaan ?  Een karakteristieke slippendrager van nieuwe vormen van voogdij ?  Wat zijn ze immers anders dan bevoogders-met-een-gezicht, die uitsloverige batterij zelfverklaarde experts in economie die ons dagelijks om de oren slaan met hun opbod aan infantiele metaforen over huisvrouwen, uitgaven en schulden, en ons aanmanen vooral niet zélf over economie na te denken, maar de inrichting van ons huis (‘oikos’) aan hun expertise over te laten, omdat er toch geen alternatief is ?  Niet dan ?  Probeer je daar maar eens als eenling van los te wurmen, van die verschrikkelijke (maar tegelijk o zo knusse) gedachte dat er geen alternatief is : je moet wel goed gek zijn om in je eentje het tegendeel te beweren, nee, te zeggen aan de becijferde en in grafieken gegoten dwaasheid, en vragen te hebben bij een unaniem geprezen win-winsysteem waar steeds meer verliezers uit voortkomen.

Maar precies daar draait het natuurlijk om : je hoeft niet gek te zijn, echt waar niet. Je moet, Kant achterna, gewoon durven, opnieuw lef hebben, wakker worden, opstaan, je ogen uitwrijven, de nachtschimmen verdrijven, je versnipperde krachten verzamelen en de meedogenloze lichtbaan van je boerenverstand over die hele duistere santenkraam laten schijnen.  En wat krijg je dan in werkelijkheid te zien, terwijl – goddank – de economische flapdroldeskundigheid zich holderdebolder uit de voeten maakt ?  Wat krijg je in zijn naaktheid te zien ?  Macht, armoede, precariteit, creatieve vernielzucht, dakloosheid, uit- en opsluiting, ongelijkheid, seksisme, wedijver, gulzigheid, racisme, accumulatie, uitputting, papierloosheid, opgejaagde angst, noem maar op, noem maar op.

Des te beter, nu wordt het tenminste duidelijk : ‘Er is geen alternatief’ betekent, in donkere tijden, eigenlijk : er is geen alternatief voor armoede, verrijking, ongelijkheid en klimaatopwarming.  Oftewel : er is geen alternatief voor de huidige machtsverhoudingen.  Het opgepotte goud aan de ene kant ; het zweet des aanschijns aan de andere, en als het even kan niets anders.

Wantrouw bordelen

Nogmaals Kant : “Het is aldus voor iedere individuele mens moeilijk zich los te maken uit de hem bijna tot natuur geworden onmondigheid.  Hij is zelfs van haar gaan houden.”  Horen we daar niet een echo van Étienne de La Boétie, een andere meester in de ongehoorzaamheid ?  Moet ook die tijdgenoot en boezemvriend van Montaigne niet hoognodig van stal worden gehaald ten behoeve van onze mentale weerbaarheid ?  In 1549 schreef hij Discours de la servitude volontaire, vertoog over de vrijwillige slavernij.  Hij was nog geen twintig.  Het werk heeft nergens aan zeggingskracht ingeboet.

De potentaat die de opstandige inwoners van een ingenomen stad in het gareel wil brengen, kan twee dingen doen, aldus La Boétie : ofwel jaagt hij zichzelf op kosten en stuurt hij er een strafexpeditie op af, met veel schade aan mooie gebouwen tot gevolg en nog meer ontvlambaar ressentiment bij de overwonnenen.  Ofwel doet hij wat de Perzische koning Cyrus deed met de Lydische inwoners van hun hoofdstad Sardes, als voorbode van wat het consumptie- en vermaakapparaat vandaag de dag met óns aanricht, wanneer wij, sjokkend langs de Antwerpse Meir of de Brusselse Nieuwstraat, voor een keuze van maar liefst 55 soorten iPads worden gesteld, die nu ook met een driedimensionaal toetsenbord zijn uitgerust : Cyrus opende bordelen en tavernes, en organiseerde op grote schaal publieke spelen.

De Lydiërs verloren van lieverlede de herinnering aan hun teloorgegane vrijheid en leverden zich met toeleg en hartstocht over aan het vertier van hun eeuw.  Zij waren als hautaine volbloeden die langzaamaan in dienstige dressuurpaardjes veranderden.  Eerst beten ze uit oorspronkelijke vrijheidsdrang op het bit en schopten wild achteruit of zetten zich schrap wanneer men hun de sporen gaf, maar gaandeweg, onder de vele aaitjes, vleierijen en fluisteringen, legden ze met sierlijke inschikkelijkheid het hoofd in het halster en begonnen onder druk van hun aangesnoerde borstpantser zowaar parmantig rond te draven.

“C’est vraiment chose merveilleuse qu’ils se laissent aller si promptement, pour peu qu’on les chatouille. Les théâtres, les jeux, les farces, les spectacles, les gladiateurs, les bêtes curieuses, les médailles, les tableaux et autres drogues de cette espèce étaient pour les peuples anciens les appâts de la servitude, la compensation de leur liberté ravie, les instruments de la tyrannie.”

En vat moed

Van zijn kant illustreerde de Amerikaanse schrijver en anarchist Henry David Thoreau onze bereidwilligheid om de eigen gevangenschap in stand te houden met het beeld van een goed geoliede rij soldaten die op automatische piloot in bewonderenswaardige orde door berg en dal trekt – een beeld dat niet enkel voor het militaire apparaat opging, maar voor alle vredelievende mensen die uit gehoorzaamheid aan de wet werktuigen van het onrecht werden.  De kolonel, de kapitein, de korporaal, de kruitdragers, het hele krijgsvolk altezamen: ze weten allemaal afzonderlijk ‘dat ze bij een afschuwelijke onderneming betrokken zijn’.  En toch is hun mars onstuitbaar.

Wie van ons durft uit de rangen te treden ?  Wie durft de bewonderenswaardige orde te doorbreken ?  Wie heeft het lef om krom te noemen wat ook krom is ?  Wie bestaat het de wet onwettig te verklaren ?  De verboden en bevelen in de wind te slaan ?  Een economisch systeem dat op groei en consumptie is gebaseerd, schadelijk te verklaren voor mens, dier en milieu ?  De ‘illegale’ sans-papiers een onderkomen te verschaffen achter deuren die dicht blijven als er op wordt gebonkt ?  De wedren tussen mensen, bedrijven en landen níét voor lief aan te nemen ?  Luidop in tram en bus, op café of in de woestijn een lans te breken voor werklozen, steuntrekkers, gehandicapten, gevangenen, daklozen, psychiatrische patiënten, depressieven, opgebranden en al het andere werkschuwe geteisem dat niet kan instaan voor een return on investment ?
Laat dit alvast onze troost zijn: in donkere tijden is innerlijke ongehoorzaamheid de eerste stap.  Er zijn moed en fysieke panache voor nodig om je vast te ketenen aan de hekken van een gesloten centrum voor uitgeprocedeerden.   Niet iedereen is het gegeven het onrecht met zijn lichaam in te weg te staan.  Maar iedereen, zonder uitzondering, is in staat tot innerlijke ongehoorzaamheid.  En die innerlijke ongehoorzaamheid is een absolute voorwaarde voor het uiterlijke verzet.
 
Christof Grootaers is sinds 1987 dramaturg bij Ensemble Leporello en coördineert de interlevensbeschouwelijke vereniging Axcent vzw.  Hij schreef dit artikel in eigen naam.  Dit artikel maakt deel uit van het themadossier 'Verzetje hoger' van cultuurtijdschrift rekto:verso. Lees hier het hele dossier .