Menu

Klokkenluider Chelsea Manning is een moderne deserteur

Klokkenluider Chelsea Manning is een moderne deserteur

Enkele belangrijke passages uit de historische verklaring die Chelsea Manning (toen nog Bradley) aflegde in de rechtbank op 28 februari 2013 over zijn redenen voor het doorspelen van geheime militaire documenten aan het publiek via WikiLeaks. 

Lees de volledige uitspraak in het Engels (35 pagina's in totaal).
 
Introductie

Ik schreef deze verklaring in de gevangenis, dus ...  Ik draag de volgende feiten aan ter ondersteuning van de schuldbekentenis voor de Krijgsraad (nvdr naar Amerikaans recht, een providence inquiry for the court-martial United States vs. Pfc. Bradley E. Manning).

Ik ben een 25-jarige Private First Class (soldaat eerste klasse) in het Amerikaanse leger momenteel toegewezen aan Headquarters and Headquarters Company, HHC, US Army Garrison—USAG, Joint Base Myer, Henderson Hall, Fort Meyer, Virginia.  Daarvoor hoorde ik bij HHC, 2nd Brigade Combat Team, 10th Mountain Division at Fort Drum, New York.  Mijn voornaamste militaire bezigheid (PMOS) is 35 fox-trot :  analist bij de inlichtingendienst.  Ik ging in actieve dienst staat op 2 oktober 2007.  Ik nam dienst in de hoop om op die manier ervaringen in de ‘echte wereld’ op te doen en ook om pluspunten te verzamelen in het kader van de GI Bill for college opportunities.


Over het kiezen van een publicatiekanaal

Thuis bij mijn tante debatteerde ik over wat ik zou doen met de SigActsi, en met name of ze zelf moest bijhouden danwel ze onthullen via een persorgaan.  Eerst besloot ik dat het logisch was om de SigActs-tabellen aan te bieden aan een Amerikaanse krant.  Ik contacteerde mijn plaatselijke krant, The Washington Post, en sprak met een vrouw die zich voorstelde als journaliste.  Ik vroeg haar of de Washington Post geïnteresseerd was in informatie die van enorme waarde voor het Amerikaanse publiek was.  Hoewel we ongeveer vijf minuten vrij algemeen spraken over wat ik bezat, geloof ik niet dat ze me serieus nam.  Ze vertelde me dat de Washington Post eventueel interesse kon hebben, maar dat een dergelijke beslissing pas werd genomen na het zien van de informatie waar ik het over had, en na bestudering door de hoofdredactie.

Toen besloot ik contact op te nemen met de grootste en meest populaire krant, The New York Times.  Ik belde het publieke redactienummer van de New York Times’ website.  De telefoon ging over en werd beantwoord door een apparaat.  Ik ging door het keuzemenu en kwam terecht bij een antwoordapparaat.  Ik liet een bericht na dat ik had over informatie aangaande Irak en Afghanistan beschikte waarvan ik geloofde dat die heel belangrijk was.  Hoewel ik mijn skype-telefoonnummer en persoonlijk e-mailadres insprak, heb ik nooit antwoord ontvangen van The New York Times.

Ik heb ook even overwogen om langs te gaan in het kantoor van de politieke commentaarblog Politico.  Maar tijdens mijn verlof belemmerden de weersomstandigheden mijn mogelijkheden om te reizen.  Na deze mislukte pogingen heb ik uiteindelijk besloten om mijn informatie over te maken aan WLO (WikiLeaks Organisation).  Ik was niet zeker of WLO de Sigacts-tabellen ook daadwerkelijk zou publiceren.  Ik was bezorgd dat ze misschien niet zouden worden opgemerkt door de Amerikaanse media.  Echter, op basis van wat ik had gelezen over WLO en van mijn eigen onderzoek leek me dit het beste medium dat binnen mijn bereik lag, om de informatie naar de wereld te brengen.

 
Irak en Afghanistan War Logs

Als analist bekeek ik de SigActs als historische gegevens.  Ik ging ervan uit dat deze mening wordt gedeeld door andere all-sourceii analisten.  SigActs geven een eerste blik indruk van een specifieke of geïsoleerde gebeurtenis.  Deze gebeurtenis kan een geïmproviseerde aanval met een explosief (improvised explosive device attack of IED), een schietincident met kleinere wapens met een vijandelijke eenheid (small-arms fire engagement of SAF), of enig ander incident dat beschreven en opgenomen wordt in realtime door een speciale eenheid.  In mijn opinie is de informatie die één SigAct of één groep van SigActs bevat, niet erg gevoelig.  De gebeurtenissen die in de meeste SigActs aan bod komen, hebben betrekking op contacten met de vijand of op incidenten met slachtoffers. Het grootste deel van deze informatie wordt publiek gemaakt door de legerwoordvoerder (public affairs office of PAO), via uitgekozen journalisten (embedded media pool) of via nationale mediakanalen (host-nation-HN-media).
(…)

Voor mij vertegenwoordigden de SigActs de realiteit ‘van op het terrein’ van de conflicten in zowel Irak als Afghanistan.  Ik vond dat we zoveel riskeerden ten behoeve van mensen die niet bereid leken om met ons samen te werken.  En dat leidde tot frustratie en haat (?) of woede (?) aan beide kanten.

Ik begon depressief te worden omwille van de situatie waarin we onszelf bevonden en steeds meer in verstrikt geraakten.  De SigActs documenteerden dit in detail en boden een context voor wat we zagen op het terrein.  In een poging om antiterroristische en antiverzetsoperaties door te voeren, raakten we geobsedeerd door het gevangennemen en uitschakelen van opgelijste menselijke doelwitten.  We werden achterdochtig en vermeden samenwerking met onze Host Nation partners, en we negeerden tweede- en derde-orde-effecten van kortetermijndoelen en missies.

Ik geloofde dat als het grote publiek, en met name het Amerikaanse publiek, toegang zou krijgen tot de informatie van de CIDNE-I en CIDNE-A tabelleniii dit  een nationaal debat op gang zou kunnen brengen over de rol van het leger en over ons buitenlands beleid in het algemeen en meer bepaald in Irak en Afghanistan.

Ik geloofde ook dat een gedetailleerde analyse van de gegevens over een lange tijdsperiode door verschillende sectoren van de samenleving ertoe zou bijdragen dat de samenleving de noodzaak of zelfs de wenselijkheid te herevalueren van counterterrorism- en counterinsurgency-operaties die de complexe dynamiek negeren voor de mensen die dagelijks in het directbetroffen gebied moeten leven.
(…)
Ik stuurde een tekst mee die ik ooit had voorbereid om aan de Washington Post te bezorgen.  Ik zorgde voor ruwe richtlijnen zoals :  "Alle identificeerbare informatie is reeds verwijderd.  Mogelijk hebt u wel 90 of 100 dagen nodig om alles door te nemen en te bekijken wat de beste manier is om zo'n grote hoeveelheid gegevens toegankelijk te maken en de bron ervan te beschermen.  Dit is mogelijk een van de belangrijkste documenten van onze tijd die de mist rond de oorlog kan doen opklaren en de ware aard van de asymmetrische oorlogsvoering in de 21-ste eeuw kan blootleggen.  Een fijne dag gewenst."

Na de verzending hiervan liet ik de SD-kaart in een camera achter in het huis van mijn tante voor het geval ik het in de toekomst nog eens nodig zou hebben.  Ik keerde terug van mijn halve-diensttijd-verlof op 11 februari 2010. Hoewel de informatie nog niet door WLO gepubliceerd was, voelde ik me opgelucht dat zij het nu in bezit hadden.  Ik voelde dat ik iets gedaan had waardoor ik een zuiver geweten kreeg over ik gezien en gelezen had en wat ik wist over wat er dagelijks in Irak en Afghanistan gebeurde.

 
‘Collateral Murder’

Op de video zijn meerdere personen te zien die door een aerial weapons team (AWT) worden aangevallen. Eerst leek me de video niet zo bijzonder te zijn.  Ik had immers al talloze andere ‘oorlogsporno'-achtige video's met gevechtsscènes bekeken.  Maar dan vielen me de opname en het audiocommentaar van het AWT op en werd ik ook verontrust door een tweede aanval op een ongewapende bongo truck.  Showman en nog een paar analisten en functionarissen van de Tactical Sensitive Compartmented Information Facility (T-SCIF) gaven commentaar op de video en debatteerden of de soldaten de gevechtsregels (rules of engagement of ROE) bij de tweede aanval respecteerden.  Ik schrok hiervan en en besloot om wat onderzoek op de gebeurtenissen uit te voeren.  Ik wilde weten wat er was gebeurd en of er op de achtergrond iets meespeelde van die dag, 12 juli 2007.

Met behulp van Google zocht ik op datum op wat voor gebeurtenissen er zich in die buurt voorgedaan hadden.  Ik vond verschillende nieuwe incidenten waaronder een waarbij twee Reuters-medewerkers omkwamen tijdens een aanval van dat AWT.  Reuters heeft dan een kopie van de video onder de Freedom of Information Act (FOIA) opgevraagd.  Reuters wilde de video bekijken om te kunnen begrijpen wat er toen gebeurd was en om hun veiligheidsprocedures in gevechtszones te verbeteren.  Een woordvoerder van Reuters werd geciteerd die zei dat de video hen zou kunnen helpen om een herhaling van zo’n tragedie te voorkomen.  Hij drong daarom aan dat de video dringend zou worden vrijgegeven.

Het nieuwsbericht ging dan voort dat ondanks het FOIA-verzoek CENTCOMiv aan Reuters antwoordde dat zij geen termijn konden geven waarbinnen het FOIA-verzoek behandeld zou worden en dat de video misschien niet meer bestond.  In een ander bericht van een jaar later vond ik dat Reuters nog steeds het verzoek aanhield, maar dat ze nog steeds geen formeel antwoord of schriftelijke conclusie in overeenstemming met FOIA hadden ontvangen.

Het feit da noch CENTCOM noch Multi National Forces Irak (MNF-I) de video wilden vrijgeven, verontrustte me.  Het was mij duidelijk tijdens het incident  het AWT de Reutersmedewerkers ten onrechte als een potentiële bedreiging hadden aanzien, en dat de mensen in de bongo truck alleen geprobeerd hadden om de gewonden te helpen.  De mensen in het busje waren geen bedreiging maar enkel ‘goede Samaritanen’.  Het meest verontrustende aspect van de video voor mij was echter de schijnbaar genotvolle bloeddorst dat het Aerial Weapons Team leek te hebben.

Ze ontmenselijkten de personen die ze aanvielen, en menselijk leven leek voor hen geen waarde te hebben.  Ze hadden het over - aanhalingstekens - “dead bastards”, en feliciteerden elkaar met hun vermogen om op grote schaal te doden.  Op een bepaald moment in de video zie je een persoon op grond die probeert om zich al kruipend in veiligheid te brengen.  Hij is ernstig gewond.  In plaats van om medische hulp te bellen vraagt iemand van het AWT aan de gewonde persoon dat hij een wapen zou opnemen, zodat er een reden isom hem aan te vallen.  Voor mij is dit vergelijkbaar met een kind dat  mieren met een vergrootglas martelt.
(…)

Kort na de tweede aanval verschijnt een gepantserde infanterie-eenheid ter plekke.  Onmiddellijk wordt ook voor het AWT duidelijk dat er kinderen in het busje zitten.  Maar ondanks de verwondingen betoont de bemanning geen berouw.  Integendeel, ze bagatelliseren hun acties en zeggen - citaat -  “Nou, het is hun schuld dat ze kinderen naar een gevechtslocatie meebrengen."
(…)

Na het uitbrengen van de video was ik bezorgd over de impact ervan en hoe hij door het publiek zou worden ontvangen.  Ik hoopte dat het publiek gealarmeerd zou zijn over het gedrag van de AWT-bemanningsleden.  Ik wilde het Amerikaanse publiek laten weten dat niet iedereen in Irak en Afghanistan als doelwit mag worden gezien dat moet uitgeschakeld worden.  Het zijn mensen die in de ‘snelkookpan’-omgeving proberen te overleven, een omgeving die wij ‘asymmetrische oorlogsvoering’ noemen.  Na de release voelde ik me gesterkt door de reactie in de media en van het grote publiek die de AWT-video hadden bekeken.  Zoals ik had gehoopt waren anderen net zo verontrust - zo niet nog meer verontrust - dan ik door wat ze gezien hadden.


15 Iraakse gedetineerden

Op 27 februari 2010 liep een rapport binnen van een ondergeschikt bataljon.  Het rapport beschreef hoe de Federal Police (of FP) 15 personen opsloot voor het drukken van anti-Iraakse teksten.  Op 2 maart 2010 kreeg ik instructies van een S3 sectie-officier in het 2de Brigade Combat Team, 10de Mountain Division Tactical Operation Center (of TOC) om de zaak te onderzoeken en te achterhalen wie - citaat -  de "bad guys" waren en hoe belangrijk deze gebeurtenis was voor de FP.

In de loop van mijn onderzoek vond ik dat geen enkele van deze personen ooit betrokken was bij anti-Irakese acties of verdachte terroristische milities. Een paar uur later ontving ik een aantal foto's van de arrestatiescène door het ondergeschikte bataljon.  Ze waren per ongeluk naar een officier van een ander team uit sectie S2 gestuurd, en zij had ze naar mij doorgestuurd.  Deze foto's toonden de individuen, [palletten?] met onbedrukt papier en in beslag genomen exemplaren van de afgewerkte documenten, en een hogeresolutiefoto van het gedrukte materiaal.  Ik drukte een kopie van de hogeresolutiefoto af en plastificeerde ze voor het gebruiksgemak en het transport.  Vervolgens heb ik liep naar de TOC en leverde de kopie af aan onze categorie-2 tolk.

Ze beoordeelde de informatie en bezorgde ongeveer een half uur later een ruwe schriftelijke afschrift in het Engels aan sectie S2.  Ik las het afschrift en vroeg haar mening over de inhoud.  Ze zei dat het woordelijk transcriberen gemakkelijk ging, omdat de foto op hoge resolutie en geplastificeerd was.  Ze zei  dat het document in het algemeen goedaardig was.  Het document was - zoals ik ook had beoordeeld - was een wetenschappelijke kritiek op de toenmalige Iraakse premier Nouri al-Maliki.

Het beschreef de corruptie in het kabinet van al-Maliki's regering en de financiële gevolgen ervan voor het Iraakse volk.  Na de vaststelling van de discrepantie tussen het verslag van de federale politie en het afschrift van de tolk, stuurde ik deze ontdekking naar de top OIC en de battle NCOIC.  De top OIC en de [onbeschikbare] battle captain vertelden me dat ze deze informatie niet wilden en niet moesten weten.  Ze zeiden - citaat - “laat vallen” en raadden me aan om hen en de federale politie gewoon te helpen om te achterhalen waar nog meer print shops met - citaat - "anti-Irakese literatuur” te vinden waren.

Ik kon niet geloven wat ik hoorde, en ik keerde terug naar de T-SCIF en sloeg bij de andere analisten in mijn sectie NCOIC over wat gebeurd was.  Sommigen reageerden sympathiek, maar niemand wilde er iets aan te doen.
Ik ben het soort persoon die het leuk vindt om te weten hoe dingen in elkaar zitten, en voor een analist betekent dit dat ik altijd de waarheid wil kennen.  In tegenstelling tot andere analisten in mijn afdeling of in het 2e Brigade Combat Team was ik niet tevreden met wat gekras aan het oppervlak om daarna een ingeblikte of met een deegmesje bemeten beoordeling af te leveren.  Ik wilde weten waarom iets is zoals het was, en wat we konden doen om de situatie te corrigeren of te verzachten.

Ik wist dat als ik de federale politie van Bagdad bleef helpen bij het identificeren van politieke tegenstanders van premier al-Maliki, ze deze mensen zouden arresteren en opsluiten in hun Special Unit.  Zeer waarschijnlijk zouden ze dan worden gemarteld en voor langere tijd of voor altijd verdwijnen.  In plaats van de Speciale Eenheid van de federale politie tter wille te zijn, besloot ik om de informatie mee te nemen en aan WLO over te maken nog vóór de verkiezingen van 7 maart 2010.  Ik hoopte zo direct druk uit te oefenen om een verder hardhandig optreden van deze eenheid tegen de politieke tegenstanders van al-Maliki te voorkomen.

 
Diplomatieke berichten (cables)

Ik kwam voor het eerst in contact met diplomatieke cables tijdens mijn stage in het AIT (Advanced Individual Training).  Later leerde ik er meer over het Netcentricv Diplomacy (of NCD) portaal van het Ministerie van Buitenlandse Zaken via kapitein Steven Lim van de 2/10 Brigade Combat Team S2,.  Captain Lim stuurde eind december 2009 een e-mail naar alle analisten en officiers van de sectie met een link naar het SIPR-portaalvi en instructies om de cables te bekijken en in ons werk te betrekken.   (…)

Het was rond het midden van januari 2010 dat ik de database af te zoeken naar informatie over IJsland.  Ik raakte geïnteresseerd in IJsland als gevolg van de IRC-(Internet Relay Chat)gesprekken die ik op het WLO-discussiekanaal gevolgd had over een probleem dat Icesave genoemd werd. Op dat moment was ik niet erg vertrouwd met het onderwerp, maar voor de deelnemers aan het gesprek leek het een belangrijk thema.  Toen besloot ik om op onderzoeken uit te gaan en via zoekopdrachten meer over IJsland te weten te komen.

Ik vond geen discussies waar de Icesave-kwestie direct of indirect besproken werd. Vervolgens voerde ik een opensource-zoekactie naar Icesave.  Ik ontdekte toen dat IJsland betrokken was bij een geschil met het Verenigd Koninkrijk en Nederland over de financiële ineenstorting van één of meer IJslandse banken.  Volgens de opensource-resultaten ging de publieke controverse vooral over het het gebruik door het Verenigd Koninkrijk van antiterrorismewetgeving tegen IJsland om zijn tegoeden te blokkeren die als garantie kon dienen voor Britse spaarders die geld waren verloren.
(…)
De cable van 13 januari 2010 was iets meer dan twee pagina's lang.  Ik lees hem en kom al snel tot de conclusie dat IJsland in essentie diplomatiek door twee grote Europese mogendheden geïntimideerd wordt.  Het leek me dat IJsland geen haalbare opties meer had en bijstand bij de VS zocht.  Ondanks dit kalm verzoek, zag het er niet naar uit dat wij iets zouden doen.  Ik had de indruk dat we niet betrokken wensten te raken, omdat er op de lange termijn geen geopolitiek voordeel te halen viel.  Nadat ik de inhoud van 10 Reykjavik-13vii cables bestudeerd had, vroeg ik me af of ik ze aan WLO zou bezorgen.  Dit was nog voor de publicatie of toezegging van WLO van de CIDNE-I of CIDNE-A tafels.  Hoewel ik niet wist of de SigActs een prioriteit voor WLO waren, besloot ik dat de cable van belang kon zijn.  Ik voelde dat ik rechtzetten dat verkeerd was, door ze dit document te laten publiceren.
(…)
Hoe meer cables ik las, hoe meer ik tot de conclusie kwam was dit soort informatie openbaar moet zijn.  Ik las ooit een citaat over open diplomatie die  geschreven was na de Eerste Wereldoorlog over hoe de wereld een betere plek zou zijn, indien staten zouden vermijden om geheime verdragen en overeenkomsten met of tegen elkaar af te sluiten.  Ik dacht dat deze cables een goed voorbeeld waren van de behoefte aan meer open diplomatie.
 

Garani bloedbad

Eind maart 2010 ontdekte ik een Amerikaanse CENTCOM-directory over een luchtaanval in Afghanistan in 2009.  Ik zocht bij CENTCOM naar informatie die ik als analist kon gebruiken.  Dit is iets dat ik en andere beambten geregeld deden.  Toen ik de documenten beoordeelde, herinnerde ik me het incident en wat er was gebeurd.  De luchtaanval vond plaats in Garani, een dorpje in de provincie Farah, Noordwest-Afghanistan.  Het incident haalde de wereldpers, toen bekend werd dat per ongeluk 100 tot 150 Afghaanse burgers, vooral vrouwen en kinderen, de dood vonden tijdens de luchtaanval.
Nadat ik het verslag en de bijlagen doorlopen had, vroeg ik me af of dit incident vergelijkbaar was met de AWT-aanval van 12 juli 2007 in Irak.  Maar er waren grote verschillen, namelijk er was een significant groter aantal personen betrokken, en er ware grotere vliegtuigen en veel zwaardere munitie ingezet.  De conclusies van het rapport zijn meer verontrustend dan die van het juli 2007-incident.  Ik vond dat niets in het rapport 15-6 of in de bijlagen gevoelige informatie bevatte.  Integendeel, het onderzoek en de conclusies maken duidelijk wat het incident inhoudt en wat betrokkenen kunnen doen om te voorkomen dat dit zich nog eens herhaalt. (…)  Later op de dag heb ik alles overgemaakt naar WLO.  Die keer heb ik uitzonderlijk het TOR-netwerk niet gebruikt.
Edelachtbare, hiermee sluit ik mijn verklaring en overzicht van de feiten af.

Met deze verklaring pleitte PFC Bradley Manning schuldig aan 10 minder ernstige beschuldigingen, maar streed hij af de vijand te hebben geholpen.  Deze verklaring is tijdens het proces in de perskamer zo getrouw mogelijk schriftelijk opgetekend door vrijwilligers van het Bradley Manning-netwerk.

Bradley kreeg 35 jaar gevangenisstraf.  Ter vergelijking: het zwaarste militaire vonnis voor de folteringen in de Abu Ghraib-gevangenis van Irak is 10 jaar opsluiting voor Charles Graner.  Na zes jaar kwam hij in 2011 vrij.  Het leverde inspiratie voor de fotocollage hiernaast :  “Had hij maar gefolterd”