Menu

legitieme ongehoorzaamheid

legitieme ongehoorzaamheid


De Insumisión-beweging tegen militaire dienst in Spanje : legitieme ongehoorzaamheid. December 2001 verlieten de rekruten van de laatste lichting dienstplichtigen de Spaanse kazernes, nadat hun negen maanden erop zaten.  In veel Europese staten is het stopzetten van de militaire dienstplicht vrijwel uitsluitend ingegeven door de militaire evolutie naar mondiale interventies, maar in Spanje is het systeem van gedwongen rekrutering ineengestort ondanks jarenlange inspanningen van de overheid om het overeind te houden.
(Gepubliceerd in The Broken Rifle , mei 2013 , nr. 96)



Het einde van de militaire dienstplicht was een sociale overwinning in Spanje. De politieke en militaire leiders probeerden wel om het te verpakken als een 'modernisering' van het leger, maar de feiten tonen aan dat de belangrijkste factor voor het beëindigen van militaire dienstplicht de drie decennia durende actie van een brede sociale beweging was.  Burgerlijke ongehoorzaamheid was een van essentiële kenmerken van die actie. In het decennium voorafgaand aan de stopzetting in 2001 raakte de legerdienst sociaal totaal in diskrediet.  In brede kringen van de Spaanse samenleving werd het als een nutteloze en schadelijke instelling gezien.  In de zeventiger jaren was dit ondenkbaar.  Toen kwam de antimilitaristische en pacifistische beweging net op gang en was er een toename van het aantal acties van burgerlijke ongehoorzaamheid.  Het was toen ook moeilijk om je voor te stellen dat vanaf 1995 het aantal aanvragen voor vervangende burgerdienst veel groter zou zijn dan het aantal effectieve rekruten.  Meer dan een miljoen aanvragen voor burgerdienst konden door de administratie gewoonweg niet verwerkt worden.  Duizenden weigerden zowel leger- als burgerdienst, de zogenaamde Insumisos of totaalweigeraars.


Eerste stappen : Van Jehovah's Getuigen tot antimilitaristische dienstweigeraars

Tijdens de militaire dictatuur van Franco weigerden vele Getuigen van Jehova de militaire dienst vanwege hun religieuze overtuigingen.  Ze zaten lange gevangenisstraffen uit zonder hun weigering als een instrument voor sociale verandering te zien.  Dit soort ‘gewetensbezwaren’ stelde de militaire structuren (die op dat moment ook de structuren van de staat zelf waren) niet in vraag en bedreigde ze ook niet.  Daarom stond het later model voor de wetgeving die een statuut  voor gewetensbezwaarden zou invoeren.  En dit ondanks het feit dat sinds het begin van de jaren 70 er een duidelijke publieke, antimilitaristische, gewetensvolle en zelfgeorganiseerde vorm gegroeid was.

Tijdens de laatste levensjaren van de dictator en zijn regime zetten de eerste gewetensbezwaarden campagnes op tegen de militaire dienst.  Ze organiseerden gezamenlijke dienstweigeringsacties, bespeelden de media en waakten erover om hun burgerlijke ongehoorzaamheid altijd met pacifistische en antimilitaristische argumenten te rechtvaardigen.  De eerste gewetensbezwaarden kozen bijzonder verpauperde buurten om er een vervangende burgerdienst te doen om zo hun sociaal alternatief begrijpelijk te maken.  Zij eisten en creëerden een soort van alternatieve, zelf-georganiseerde burgerdienst buiten de officiële dienstplicht om.  Ze weigerden om te aanvaarden dat gewetensbezwaren enkel om religieuze redenen mogelijk zijn en lagen zo aan de basis van de Beweging voor Gewetensbezwaren (MOC) en gaven daarmee een naam aan een netwerk van groepen dat eigenlijk al 30 jaar met burgerlijke ongehoorzaamheid bezig was.  Tijdens de jaren ’70 werden meer dienstweigeraars in krijgsgevangenschap genomen.  Maar de toekomst zou uitwijzen dat repressie de beweging niet kon breken.  Integendeel, de beweging zou groeien en aan publieke invloed winnen.


Van dienstweigering naar insubordinatie :  ‘los insumisos’

In 1980 besliste de minister van Defensie dat opsluiting van gewetensbezwaarden tijdelijk moest worden stopgezet.  In afwachting van een nieuwe wet die dienstweigering omwille van gewetensbezwaren zou regelen en een alternatieve burgerdienst zou installeren, werden gewetensbezwaarden rechtstreeks bij de 'reservisten' gevoegd. In de praktijk betekende dit een stilzwijgende amnestie - een pact dat de beweging gebruikt om zichzelf te versterken en strategieën voor ongehoorzaamheid aan deze nieuwe wet voor te bereiden.  De nieuwe wet op een statuut voor gewetensbezwaarden was bedoeld om de anti-dienstplichtbeweging in te dijken en het statuut te beperken tot een klein aantal mensen en op die manier de militaire rekrutering veilig te stellen.  Na een lang en problematisch wetgevingsproces (inclusief een vordering tot ongrondwettigheid bij het Grondwettelijk Hof) kwam de wet er uiteindelijk in 1986.  Pas in 1989 stond er ook een alternatief systeem van burgerdienst op poten.  

Tegen dat moment echter was de beweging voor burgerlijke ongehoorzaamheid niet meer beperkt tot een groep dienstweigeraars zoals in de jaren 1970. De beweging was uitgegroeid en geëvolueerd en haar antimilitaristische eisen waren breder en radicaler geworden.  Burgerlijke ongehoorzaamheid en geweldloosheid waren nu hefbomen om net enkel de militaire dienstplicht te beëindigen, maar ook voor ontmanteling van het leger en de hele militaire systeem te ijveren.  De militarisering van de samenleving in haar geheel was tot focus voor de beweging geworden.  Eerste MOC en vervolgens ook andere netwerken zoals Coordinadora Mili-KK kondigden aan dat ze de alternatieve dienst zoals ingesteld door de wet op de gewetensbezwaren afwezen.  Op 20 februari 1989 verschenen de eerste vijftig totaalweigeraars in het openbaar in diverse Spaanse steden.  Een nieuwe fase van burgerlijke ongehoorzaamheid was aangebroken, beter bekend als ‘insumisión’ (totaalweigeren).


Het ‘Boomerangeffect’ van de repressie

Insumisión begon als een campagne van antimilitaristische netwerken en vond gehoor bij honderden weigaraars.  Maar met het verstrijken van de tijd, het intense debat dat volgde, de steun van steeds bredere en gevarieerdere sociale groepen en het boemerangeffect van de repressie (insumisos gingen voor 2 jaar, 4 maanden en een dag in de gevangenis) bleven de cijfers stijgen tijdens de vroege jaren 1990.  De beweging was in staat om de gevangenisstraffen te doorstaan, ​​omdat een breed netwerk de insumisos ondersteunde en en kandidaat-insoumisos voorafgaand een ‘training’ konden volgen.  'Zelbeschuldigingen' speelden ook een zeer belangrijke rol in het opvangen van de repressie en in het creëren van steunnetwerken en solidariteit.  Voor elke veroordeelde insumiso tekenden vier mensen een verklaringen die ze aan de rechtbank bezorgden waarbij ze zichzelf beschuldigden dat ze de insumiso gesteund en gesimuleerd hadden in zijn ongehoorzaamheid. Volgens de Spaanse wet moest deze ‘misdaad’ ook worden vervolgd en bestraft gelijk aan die van de insumiso.  Desondanks werd geen enkele ‘zelfbeschuldigde’ ooit vervolgd .

Omdat de gevangenisstraffen de omvang en impact van de solidariteitsacties alleen maar leken te vergroten, besloot de socialistische regering van die tijd om alle gevangen insumisos over te plaatsen naar gevangenissen met een open regime (een deel van de insumisos weigerde ook dit en moest worden opgepakt om terug naar een gevangenis met een gesloten regime te worden gestuurd).  In 1995 verving de regering de gevangenisstraffen door een ‘onwaardigheidsverklaring’' of een zogenaamde 'burgerlijke dood'.  Ondertussen was insumision echter al zo wijdverbreid dat het 'normaal' werd.  Een meerderheid van de duizenden jongeren die dienstplicht weigerden deed dit zelf zonder enige coördinatie met de beweging.


Het systeem stort in

Tegelijkertijd werd burgerdienst door meer en meer jonge mensen als iets 'makkelijk' gezien, iets dat niet bijzonder 'radicaal' was in vergelijking met insumisión.  Honderdduizenden mensen vroegen alternatieve in plaats van militaire dienst aan en zo stortte het systeem in.  Het systeem was bedoeld voor een kleine minderheid en kon het grote aantal kandidaten niet aan.  Bovendien slaagde de beweging erin om veel NGO's en sociale verenigingen te overtuigen om geen plaats voor alternatieve dienstplicht aan te bieden.  In de praktijk betekende dit een boycot van het burgerdienstprogramma.  Dit wurgde uiteindelijk het systeem.  Veel jongeren die kozen voor alternatieve dienst, voerden hem nooit uit bij gebrek aan plaatsen.  Dit veroorzaakte de ineenstorting van de militaire en civiele rekrutering.  In 1996 kondigde de regering aan dat de militaire dienstplicht in 2003 zou stoppen (dit veranderde naar 2001), en dat een leger van beroepsmilitairen in de plaats zou komen.  Een groot deel van de ongehoorzaamheidsbeweging stopte toen met haar activiteiten, omdat ze vonden dat het hoofddoel was bereikt.


' Insumisión in de kazerne ' en het einde van de militaire dienst  

Desondanks verkende de vredesbeweging nieuwe vormen van verzet tegen rekrutering, zoals de 'insumisión in de kazerne', waaraan de auteur van dit artikel vanaf 1997 deelnam.  Tientallen MOC-antimilitaristen volharden hierin en verklaren zich gewetensbezwaarden nadat ze in de militaire rangen werden opgenomen.  Op deze manier tracht de vredesbeweging de rekruteringscrisis te verdiepen en het debat opnieuw aan te wakkeren binnen de gelederen van het leger zelf, dat zich onlangs omgevormd heeft tot een krijgsmacht voor wereldwijde interventies.

Tegelijkertijd bemoeien we ons met de publieke wervingscampagnes van het leger.  De 'insumisión in de kazerne' betekende een overgang naar een nieuwe situatie waarin de antimilitaristische beweging niet langer militaire of civiele dienstplicht te bekampen had.  De MOC geraakte echter niet uit de interne debatten over welke nieuwe focus moest worden gekozen: de wapenindustrie, de militaire uitgaven, anti-rekruteringsacties, sluiting van militaire bases, …

Zonder twijfel zijn de bewegingen voor het recht op gewetensbezwaren de grotere en meer gediversifieerde insumisión-beweging uitstekende voorbeelden van burgerlijke ongehoorzaamheid, omwille van hun brede maatschappelijke impact en doelstellingen.  Het is waar dat de militaire instellingen een zeer slechte sociale reputatie hadden omwille van hun steun aan de dictatuur van Franco en het is ook waar dat er een actieve en wijdverspreide anti-repressiecultuur in de Spaanse samenleving aanwezig was. Toch heeft de insumisión-campagne aangetoond dat burgerlijke ongehoorzaamheid een immense kracht tot sociale transformatie heeft.


Carlos Perez Barranco
(met vriendelijke toestemming van War Resister’s International overgenomen en vertaald uit The Broken Rifle , mei 2013 , nr. 96)