Menu

Vechten of niet vechten ? De ethiek van militaire desertie

Vechten of niet vechten ?  De ethiek van militaire desertie


Oorlog roept altijd vragen op.  Kloppen de rechtvaardigingen die gegeven worden voor de oorlog, is het oké hoe de oorlog verlopen is, en hoe wordt de naoorlogse situatie aangepakt ?  Deze vragen worden gesteld over de Eerste Wereldoorlog, maar Patterson schrijft zijn artikel in 2004 en neemt de oorlog tegen Saddam Hoesein als voorbeeld.  Meer bepaald neemt hij één vraag in het vizier :  op welke basis besloten de Irakese soldaten om te vechten of niet te vechten.  Van bij het begin van de oorlog hebben de Verenigde Staten zich ingespannen om via verschillende kanalen, zoals e-mails en folders die massaal vanuit de lucht gedropt werden, Iraakse soldaten aan te moedigen om te deserteren.  Veel Iraakse soldaten volgden de oproep en deserteerden of gaven zich over aan de Amerikaanse autoriteiten.  Anderen vochten door voor het Iraakse vaderland.  Wat zegt de ethiek hierover ?  Kan er vanuit de ethiek iets over een recht op desertie gezegd worden ?  


Patterson onderzoekt deze vragen aan de hand van de oproep van het Amerikaans militair bevel om Sadam Hoesein de rug toe te keren.  Pattserson suggereert (maar maakt de oefening niet) dat dit ook op Amerikaanse soldaten op missie moet kunnen worden toegepast.  In de weken voorafgaand aan de oorlog lanceerden diverse functionarissen van de Bush-administratie herhaalde oproepen aan de Iraakse soldaten om zich te ontdoen van hun wapens en zich over te geven.  Generaal Richard Myers bijvoorbeeld zei dat de Verenigde Staten slechts één boodschap hadden voor de Iraakse soldaten : "stop met vechten!”  In plaats daarvan adviseerde hij hen om zich “te richten op de toekomst van uw gezin en uw kinderen en op het leven in een vrij Irak.” (2)  En minister van defensie Donald Rumsfeld verklaarde op CNN dat “de politieke en militaire leiders van Irak aan hun eer moeten denken en dus beter stoppen met het verdedigen van een regime dat binnenkort tot de geschiedenis zal behoren.” (3)

De vraag die Patterson bezighoudt, is niet of de Bush-regering gerechtigd was om voor een dergelijke tactiek te kiezen.  Had Donald Rumsfeld een punt dat het eervol is om te deserteren ? Zeker, Rumsfeld zou nooit aanvaarden dat een Amerikaanse soldaat zijn post zou verlaten, omdat hij dit eervol vond.  Handelden de Iraakse soldaten die het advies van de V.S. volgden en Saddam Hussein in de steek lieten, moreel hoogstaand, of hebben ze aan een van de meest cruciale taken van een burger verzaakt, namelijk het landsbelang verdedigen ?  

De Bush-administratie baseerde haar oproep op het argument dat Saddams regime onrechtvaardig was en daardoor alle legitimiteit verloren had. Dit argument is echter niet zo eenduidig als op het eerste gezicht lijkt.  Vanuit ethisch-filosofisch oogpunt kunnen drie vragen over desertie gesteld worden :  wat met patriottisme en vaderlandsliefde? ;  wat met plicht en gemaakte beloftes? ;  en hoe kan een regering legitiem iets van haar burgers af te dwingen ?


“My country, right or wrong”


    In een discussie over militaire desertie kom je automatisch bij patriottisme terecht.  “My country, wright or wrong” is een Engelse uitdrukking die zoveel betekent als, wat een land ook uitvoert, een patriot blijft zijn vaderland trouw.  Dit soort van overdreven patriottisme wordt ook jingoïsme genoemd, wanneer het over het verder steunen van een agressief buitenlands beleid van een land gaat.  De term dook voor het eerst op in Engeland in 1878. In dat jaar kwamen de Britten bijna in oorlog met Rusland, nadat Rusland een groot deel van het Ottomaanse Rijk had bezet. De Ierse zanger G. H. MacDermott componeerde naar aanleiding van deze crisis een lied met als refrein:
   We don't want to fight
    But, by Jingo, if we do,
    We've got the ships,
    We've got the men,
    We've got the money, too.
Waarbij “by jingo” een soort uitroep of krachtterm is.  Deze patriot of jingoïst zal desertie zelden of nooit gerechtvaardigd vinden, terwijl de anti-patriot oordeelt dat soldaten altijd het morele recht behouden om te oordelen wat “juist is om te doen”, en dat kan bijvoorbeeld zijn om militaire bevelen te weigeren.  Beide posities roepen ethische vragen op.

Patriottisme vereist dat men de wetten en geboden van zijn land bovenal respecteert, en dit bij uitstek in tijden van oorlog, wanneer het voortbestaan ​​van de staat op het spel staat.  Stephen Nathanson identificeert vijf belangrijke principes die de jingoïst kenmerken (4) :
1 Een geloof in de superioriteit van het vaderland
2 Een verlangen naar overheersing van andere landen
3 Een exclusieve zorg voor het eigen land
4 Geen beperkingen om de doelstellingen van het eigen land te mogen nastreven
5 Vanzelfsprekende steun voor de militaire politiek van zijn land
Uit zo’n houding volgt automatisch dat elke poging om zich te onttrekken aan militaire plichten moet gezien worden als verraad aan het vaderland en dus ten zeerste immoreel is.

De anti-patriottische analyse vestigt onze morele aandacht op solidariteit met volkeren buiten onze landsgrenzen.  Maar hoezeer de anti-patriot het ook wil ontkennen, ieder heeft nu eenmaal een speciale band met zijn land.  We zijn getroffen door zijn geschiedenis, opgegroeid in zijn samenleving, we leerden er de taal en hebben zijn cultuur aangenomen.  Een land is niet zomaar een volledig op zich staande vlek op de wereldkaart die door het individu naar willekeur kan worden aanvaard of verworpen, maar het is een onlosmakelijk onderdeel van dat individu zelf.

Net zoals je een voornaam en een achternaam hebt, zo hebben we ook een ‘nationale naam’.  Het geeft je een verleden en een toekomst.  Het is normaal om speciale aandacht voor de eigen familie te hebben, zo ook is men speciale aandacht verschuldigd voor het eigen land.  Bij iemand die totaal niet naar zijn eigen familie omkijkt, vragen we ons terecht af of hij wil tot morele gevoelens in staat is.  En hetzelfde geldt in iets minder mate voor loyauteit aan het eigen land.  En ‘bijzondere relaties’ leiden nu eenmaal naar bijzondere verplichtingen en rechten die ethisch gezien niet zomaar van tafel geveegd kunnen worden, alsof ze niet bestonden.

Jingoïsme en anti-patriottisme leveren ernstige morele bezwaren op.  De jingoïst kan xenofoob en harteloos worden tegenover het welzijn van anderen en de anti-patriot kan als ontrouw ten opzichte van zijn landgenoten gezien worden.

Gelukkig is er een middenpositie.  Nathanson beschrijft die als gematigd patriottisch, waarbij men loyaal blijft aan het eigen land en tegelijkertijd de morele verdienste van andere landen erkent. Vergelijkbaar met de kenmerken van jingoïsme somt Nathanson vijf kenmerken op van de gematigde patriot :
1 Een bijzondere genegenheid voor je vaderland
2 Een verlangen dat je land mag bloeien en gedijen
3 Een bijzondere maar niet exclusieve zorg voor je land
4 Ondersteuning van ethisch verdedigbare nationale doelen
5 Voorwaardelijke steun voor het politieke en militaire beleid van je land
Vanuit het oogpunt van deze positie mag en moet men speciale aandacht hebben voor het eigen land en meewerken aan zijn voorspoed, maar binnen welbepaalde perken.  Uitbuiting van volkeren uit andere landen of ongerechtvaardigde oorlogen voeren horen daar niet bij.  De morele oordelen van een gematigde patriot zullen beïnvloed zijn door de liefde van zijn eigen land, maar niet in die mate dat hij blind wordt voor de behoeften van anderen.

Waar men zich bevindt op de patriottismeschaal heeft een grote invloed op je houding ten aanzien van militaire verplichtingen als burger.  Een jingoïst zal van mening zijn dat burgers onvoorwaardelijk de militaire wapenfeiten van zijn land moet steunen en dat ze bijna nooit omwille van morele bezwaren in twijfel mogen getrokken worden.  Desertie is een schande.  De anti-patriot zal vaak elke militaire actie als moreel ontoelaatbaar beschouwen en hij zal moeilijk te overtuigen zijn om er steun aan te verlenen.  Desertie is dan verdedigbaar, behalve onder de meest voor de hand liggende gevallen van militaire noodzaak.

De gematigde patriot bevindt zich ergens tussenin.  Hij is zich bewust van de verplichtingen tegenover zijn land en zal aarzelen om desertie te vergoelijken.  Anderzijds erkent hij de mogelijkheid dat zijn land, of beter gezegd, zijn leiders fouten in morele beoordelingen kunnen maken die leiden tot een ongerechtvaardigde oorlog.  Omdat zijn steun aan het beleid van de overheid voorwaardelijk is, zal hij de omstandigheden afwegen en tot een eigen mening komen of militaire actie door zijn land kan gesteund worden.  Militaire desertie is betreurenswaardig en nooit een eerste keuze, maar voor de gematigde patriot is het niet ondenkbaar.  

Hoe moet dat moreel oordeel over militaire actie en desertie tot stand komen ?  Sommigen zullen meer belang aan begrippen als plicht en trouw, terwijl anderen desertie op een meer nuchtere manier zullen benaderen.


Beloftes en plichten


Bestaan morele verplichtingen ?  Dit is naast na patriottisme een tweede dilemma voor de deserteur.  Morele verplichtingen zijn immers niet afhankelijk van de grillen van het moment.  Afzien van een verplichting om het vaderland te dienen is een ernstige zaak en mag alleen worden gedaan na grondige reflectie.  Om beter te begrijpen welke kwesties op het spel staan, moeten we een ethische analyse maken van beloftes en plichten en van de morele verplichtingen die eruit volgen.

Veel filosofen vinden dat het concept ‘plicht’ de kern van elke ethiek moet uitmaken.  Immanuel Kant, bijvoorbeeld, stelt dat alleen handelingen die gedaan worden vanuit een plichtsgevoel, een morele waarde kunnen hebben.  Voor Kant kunnen handelingen die uit overtuiging, sympathie of engagement gedaan worden, zeker lovenswaardig en eervol zijn.  Maar ze verdienen pas respect, als ze vanuit morele verplichting gemotiveerd zijn.  En een morele plicht, voegt hij eraan toe, is een plicht, zonder uitzondering.  “Indien het onze plicht is om militaire dienst te doen, dan mogen we nooit deserteren.” (5)  

Deze absolute opvatting van plicht levert echter onmiddellijk problemen op.  Want wat gebeurt er als we twee plichten hebben die met elkaar in tegenstrijd zijn ?  We hebben de plicht om te dienen in het leger, maar we hebben ook de plicht om anderen niet ten onrechte te doden.  “Sommige filosofen lossen dit op door een verschil te maken tussen ‘prima-facie plichten’ (plichten-op-het-eerste-gezicht) en absolute plichten, dat wat je echt moet doen.”  Maar hoe weet je dan ‘wat je echt moet doen’, want daar gaat het om.  Andere filosofen hebben daarom voorgesteld om het concept ‘morele plicht’ maar meteen te schrappen.  

Tegenstrijdige plichten komen juist heel vaak voor in oorlogssituaties.  Aan de ene kant kan er een plicht zijn om te vechten voor je land, terwijl er aan de andere kant ook een plicht is om je land indien nodig te behoeden voor een oorlog.  Wie vindt dat zijn land zich begeeft in een onrechtvaardige oorlog, staat dus voor een moreel dilemma van de eerste orde.  Maar is dat wel een dilemma ?  Wie zijn land steunt in een onrechtvaardige oorlog, maakt zich eraan medeplichtig.  Het zou een morele schending zijn om mee te doen aan het onrechtvaardig doden en verwonden van mensen, en dus primeert de morele plicht om militaire dienst te weigeren.  De spanning tussen de plicht om te vechten voor je land en de plicht om je te verzetten tegen een ​​immorele oorlog kan niet zo gemakkelijk opgelost worden.  Het ethisch dilemma (‘vechten of niet”) verschuift naar een politieke en morele analyse of een oorlog rechtvaardig is.  

De zaken worden nog ingewikkelder wanneer we ons afvragen of de plicht om te dienen in het leger wordt versterkt, indien je eerder een eed of belofte hebt afgelegd.  Iedere burger heeft een zekere verplichting ten opzichte van zijn land, maar is die niet groter indien men uit vrije wil bij het leger gegaan is en er beloftes heeft afgelegd ?  Verschillende filosofen gaan ervan uit dat een ernstig afgelegde belofte een echt engagement inhoudt dat niet zomaar kan gebroken worden.  (6)

Is het zo simpel ?  Hadden Duitse soldaten die zich voor het Hitler-regime als vrijwilliger gemeld hadden, de morele plicht om hun militaire gelofte in de oorlog na te komen ?  Over een belofte mag niet licht heengegaan worden, maar ze staan ook niet boven alle andere morele overwegingen.  Het feit dat men een belofte of een eed heeft gedaan, kan geen vrijgeleide zijn om alle verantwoordelijkheid voor wat komt, van zich af te schuiven.  Soldaten zijn geen willoze oorlogsinstrumenten.  Of met een boutade :  de trigger is een onderdeel van het geweer, niet van de soldaat.  De trekker moet nog steeds worden overgehaald en dat betekent dat hij ook niet kan worden bediend.  Ook al wordt de soldaat getraind om te “gehoorzamen zonder aarzeling”, toch blijft hij een mens die in staat is om te twijfelen.  

Beloften en plichten dwingen dus niet om ze kost wat kost na te komen zonder dat we nog rekening moeten houden met de omstandigheden.  Maar ze dwingen ons wel om een morele keuze te maken en de gevolgen ervan te dragen.  Wie een belofte breekt om zo een erger kwaad te voorkomen, maakt ook de keuze om de gevolgen daarvan te dragen.  Het “juiste doen” beschermt immers niet tegen negatieve gevolgen.  

Er is nog een belangrijk element dat in onze morele analyse tot dusver ontbreekt, namelijk beloftes en plichten zijn verschuldigd ten opzichte van iemand.  Een soldaat belooft trouw aan het vaderland en zijn regering.  Dit stelt echter de ethische vraag naar de legitimiteit van degene aan wie trouw beloofd wordt.


legitimiteit, rechtvaardigheid en politieke verplichting


Legitimiteit is een cruciaal begrip.  Immers, het is moeilijk om vol te houden dat een verbintenis moet worden nagekomen, ook al geldt ze ten opzichte van een illegitieme of immorele regering.  Een burger moet zijn verplichtingen ten opzichte van de overheid maar nakomen, inzoverre de overheid zich ook aan de hare houdt.  Wanneer een regering door slecht of immoreel bestuur haar legitimiteit om te regeren verloren heeft, dan vervalt ook de plicht van de burgers om trouw te zijn aan de regering.  Sebastian Haffner, auteur van het veelgeprezen boek Anmerkungen zu Hitler (‘Kanttekeningen bij Hitler’) waarin hij de politieke successen en gruwelijke misdaden scherpzinnig uiteenzet, voelde geen plicht om te vechten voor Hitler, omdat hij hem niet aanvaardde als legitieme leider van Duitsland.  Haffner :  ”Het eerste land dat door de nazi’s werd bezet, was niet Oostenrijk of Tsjecho-Slowakije, het was Duitsland.” (7)

Wat is legitimiteit ?  Is wettelijk verkozen zijn daarvoor voldoende ?  Sommige filosofen vinden dat de kern van politieke legitimiteit erin bestaat dat een regering gedragen moet zijn door haar burgers.  Enkel indien ‘de geregeerden’ instemmen met een verordening kan ze legitiem zijn.  Andere denkers vinden dat een regering maar legitiem is, indien ze rechtvaardig is.  Legitimiteit moet dus worden afgemeten aan de mate waarin een regering zich houdt aan rechtvaardigheidsbeginselen.  Weer anderen geloven dat legitimiteit enkel van macht afhangt.  Indien een regering zijn beleid met macht kan doorzetten, dan is ze legitiem.  

Laten we deze argumenten van nabij bekijken.  Rechtmatigheid (of legaliteit) is zeker een belangrijk element van legitimiteit.  Een leider die zijn positie heeft bereikt via wettelijke middelen, heeft veel meer kans om legitiem te kunnen besturen, dan iemand die op illegale wijze aan de macht gekomen is.  Toch kunnen er problemen zijn.  Was de ‘legale weg’ die de leider gevolgd heeft, zelf wel legitiem ?  Was het rechtssysteem dat toezag op de wettelijkheid, wel rechtvaardig ?  George W. Bush mag dan wel wettelijk gezien de verkiezingen van 2000 gewonnen hebben, maar zijn legitimiteit werd ondergraven door de vele discussies over de manier waarop de verkiezingen verlopen zijn.

Een tweede probleem voor de legitimiteit van een regering kan zijn of ze gedragen wordt door de bevolking.  Een regering kan legaal aan de macht zijn, maar niet (meer) gedragen worden.  Politieke instellingen hebben immers een actieve deelname van de leden van de gemeenschap nodig.  Deze deelname kan er bijvoorbeeld in bestaan in tijden van oorlog zijn leven te willen geven.  Indien er geen consensus (meer) is dat het land legitiem geregeerd wordt, kan het problematisch worden of burgers nog tot het uiterste willen gaan om hun land te verdedigen.  Toch zijn er veel voorbeelden in de geschiedenis te vinden van heersers die via overerving of via verovering aan de macht gekomen zijn en waarbij de instemming van de bevolking dus geen rol gespeeld heeft, en die toch als legitiem werden ervaren.  

Vandaar dat velen ervan uitgaan dat legitimiteit door brute macht afgedwongen wordt: heersers zijn legitiem, indien ze de macht kunnen grijpen en houden. Genghis Khan was de legitieme heerser van de Mongolen, omdat hij kon steunen op een brede machtsbasis.  Toch blijft het moeilijk voor een heerser om met macht legitimiteit op te leggen, indien het volk echt niet wil.  Machtsontplooiing kan mensen dwingen om de heerser te gehoorzamen, maar ze kan hen niet moreel daartoe verplichten.  Vooraleer mensen zullen overwegen om vanuit een gevoel van morele verplichting de wetten en geboden van de overheid te volgen, moeten ze er eerst van overtuigd zijn dat die wetten gesteund zijn op gerechtigheid en niet alleen op macht.

Simone Weil zegt over legitimiteit dat het geen basisconcept maar een afgeleid concept is, namelijk het is een afgeleide van het begrip rechtvaardigheid. (8)  Een wet zal worden genegeerd als ze niet rechtvaardig is.  Verkiezingen of erfafstamming zullen maar werken in een samenleving die ze als een rechtvaardige methode voor het verwerven van leiderschap aanvaardt.  En machtsmisbruik kan enkel angst en gehoorzaamheid doen ontstaan, nooit legitimiteit.  Dit rechtvaardigheidsgevoel berust, althans in de meeste gevallen, op het vertrouwen dat de leiders zullen handelen in het belang van van de burgers.  Leiderschap dat enkel voor persoonlijke doeleinden wordt gebruikt, kan niet legitiem zijn.

Wie denkt dat we met het rechtvaardigheidscriterium nu een standvastig en exact meetinstrument voor de legitimiteit van regeringen hebben, moeten we teleurstellen.  Ook het concept rechtvaardigheid varieert tussen culturen, landen en doorheen de tijd.  Hoewel Genghis Khan ons geen rechtvaardige leider lijkt te zijn, hadden mensen toen een heel andere opvatting van rechtvaardigheid.  Mongolen vonden misschien dat rechtvaardig wat hun eigen samenleving versterkte en hen beschermde tegen aanvallen van buitenaf.  Denk aan de discussies over wat een rechtvaardige oorlog is.  Ook daarover kunnen grote meningsverschillen bestaan.  Hoewel er abstracte wetten over oorlog bestaan, namelijk het ius ad bellum (het recht om oorlog te voeren) en ius in bello (het recht tijdens de oorlog), leveren deze regels voortdurend interpretatiediscussies op.

Hoewel rechtvaardigheid een meerduidig begrip is, betekent dit niet dat het nutteloos wordt.  De filosoof Ludwig Wittgenstein had ooit een discussie met een denkbeeldige gesprekspartner :
LW :  Als ik tegen iemand zeg :  "Sta ongeveer hier”, waarom zou die uitleg dan niet perfect kunnen werken ?  En elke andere uitleg kan toch ook evengoed falen?
I :  Maar het is toch een onnauwkeurige uitleg ?
W :  Ja, maar daarom noemen we het ‘onnauwkeurig’ ?  Laten we goed begrijpen wat ‘onnauwkeurig’ betekent.  Want het betekent niet hetzelfde als ‘onbruikbaar’. (33)
Je kan je ook afvragen of een onduidelijke foto van een persoon eigenlijk wel een beeld van die persoon is?  Maar anderzijds kan je je ook afvragen of het wel altijd een stap vooruit is, indien een onscherpe foto vervangen wordt door een scherpe ?  Is een onscherpe foto vaak niet dat wat we juist nodig hebben ? (9)  

Rechtvaardigheid en legitimiteit kunnen als concept dus een beetje wazig zijn, maar toch geven ze aanknopingspunten om over onze politieke verplichtingen na te denken en er morele beslissingen uit te halen.  Hoewel de grenzen die rechtvaardigheid aan legitimiteit oplegt, een beetje vaag zijn, zijn het nog steeds grenzen.  Vaag betekent niet dat elk individu maar voor zichzelf moet beslissen.  Niet elke daad is een rechtvaardige daad.  En willen de woorden ‘rechtvaardigheid’ en ‘legitimiteit’  überhaupt iets betekenen, dan moeten ze iets betekenen in een gemeenschappelijke taal die toegankelijk is voor.


morele dilemma's en onenigheid


Over de meest extreme gevallen van onrechtvaardigheid is vrijwel iedereen het eens.  Denken we aan de nazi-concentratiekampen, bijvoorbeeld.  Indien deze niet onrechtvaardig waren, dan is niets onrechtvaardig.  In minder extreme situaties echter moet elk individu een morele keuze maken.  Toch is zo’n keuze niet vrijblijvend of lukraak.  We definiëren onszelf door de posities die we innemen.  In principe is elk individu vrij om zijn standpunt te bepalen, maar bij elke keuze horen morele normen en waarden waarop we aangesproken kunnen worden.  

Veel situaties blijven open voor interpretatie en discussie.  Vaak spelen loyauteiten, persoonlijke belangen, conflicterende perspectieven en plichten een vertroebelende rol en is het niet zo gemakkelijk een standpunt in te nemen waarin alles verzoend wordt.   Morele meningsverschillen zijn dan ook niet altijd niet per se een gevolg van onwetendheid, gebrek aan fantasie, vooroordelen, koppigheid, zelfbedrog, enzovoort, hoewel dat in specifieke gevallen natuurlijk ook mogelijk is.

In een volwassen en realistische visie op complexe morele vraagstukken moet aanvaarden worden dat meningsverschillen onvermijdelijk zijn.  En dit geldt bij uitstek bij politieke standpunten, waar discussie en conflict eerder de regel dan de uitzondering zijn.  Belangrijk is vooral dat alle morele opties overwogen worden en dat een conclusie het resultaat is van een ernstige morele reflectie.  Ethiek is geen positieve wetenschap en niet voor alle morele problemen bestaan eenduidige oplossingen.  Ethische reflectie is nuttig, omdat het alle standpunten verheldert die in een debat aangedragen worden.  Elk individu dat deelneemt aan de reflectie, moet de posities van de anderen in overweging willen nemen en moet er dan voor zorgen dat zijn eigen standpunt degelijk en deugdelijk is.


conclusie


Wat is nu de conclusie ?  Waren de Iraakse soldaten die gehoor gaven aan de desertie-oproep van de regering-Bush, helden of misdadigers ?  De ethische analyse van het patriottisme-argument leert ons dat Iraakse soldaten het recht hebben om zich verbonden te voelen met hun land.  Maar er zijn ook andere overwegingen.  Enerzijds is er de plicht om trouw te zijn en anderzijds is er een morele analyse die van het conflict gemaakt moet worden.

Sommige waarnemers argumenteren dat het regime van Saddam Hoessein zelf daden van wreedheid stelde en dus geen recht op steun meer verdiende.  Bovendien doen dergelijke onrechtvaardigheden de vaderlandslievende plichten teniet die een gematigde patriot nog zou willen naleven.  Zelfverdediging mag wel een reden zijn om een ‘rechtvaardige oorlog’ te voeren, maar het ‘zelf’ dat de regering-Saddam zei te verdedigen, was niet het Iraakse volk maar was het eigenbelang van zijn regerende kliek.  

Conclusie is dan dat degenen die weigerden om nog langer voor het Hussein-regime te vechten, in moreel opzicht gelijk hadden.  Ze herkenden de onrechtvaardigheden in het regime en besloten om er niet langer deel van uit te maken.  Desertie was dus ethisch verantwoord.  

Maar wat met de soldaten die wel verder het regime trouw bleven ?  Handelden zij dan ethisch verwerpelijk ?  Dat zou betekenen dat de oproep van Bush senior zo’n ethische legitimiteit had, dat iedere Irakees zich daarnaar moest richten …  Ook bij de militaire actie van de Bush-administratie worden door veel waarnemers grote vraagtekens geplaatst.  Welke waarden, welke belangen verdedigde hij ?  Is het dan zo evident om te verwachten dat alle Irakezen hem daarin bijtreden ?

Zoals zo vele vragen die we in onze ethische analyse zijn tegengekomen, is het perspectief dat men inneemt uiteindelijk bepalend voor de eindconclusie.  Er is geen sluitend antwoord op de morele kwestie van militaire desertie in Irak.  Maar onze analyse bracht wel enkele belangrijke elementen aan het licht, zodat ieder individu de omstandigheden kan afwegen en zijn/haar eigen conclusies kan trekken.  Vrijblijvend en arbitrair zijn die conclusies echter niet.  Ze moeten passen in een morele visie waarop ieder kan aangesproken worden.


Eindnoten
1.  William Patterson, Ph.D.,  assistent aan de Paul D. Camp Community College, Administration of Justice.   Other Affiliations :  Old Dominion University, Graduate Program in International Studies, Adjunct
2. Gen. Richard Myers, quoted in “Without the Best: Could Saddam’s Elite Troops
Abandon Him at His Critical Hour?” ABCNews.com, March 21, 2003.
3. Donald Rumsfeld, quoted in “Rumsfeld: Despite Difficulties, Liberation of Iraq
is Certain.” United States Embassy Tokyo, Japan. http://usembassy.state.gov/tokyo/
wwwh20030331a1.html.
4. Stephen Nathanson, Patriotism, Morality, and Peace (Lanham, Md.: Rowman and
Littlefield Publishers, 1993), 29.
5. Immanuel Kant, “Fundamental Principles of the Metaphysic of Morals.” Great Books
of the Western World: Kant. Vol. 39, ed. Mortimer J. Adler (Chicago: Encyclopedia Britannica,
Inc., 1990), 258.
6. Thomas Scanlon, “Promises and Practices.” Philosophy and Public Affairs, Vol. 19, No.3, (Summer, 1990): 199–226, 214.
7. Sebastian Haffner, Defying Hitler: A Memoir (New York: Picador, 2003), 225.
8. Simone Weil, “The Legitimacy of the Provisional Government,” Philosophical Investigations.
vol.10, no.2 (April 1987): 94.
9. Wittgenstein, Ludwig. Philosophical Investigations 3rd edition (Englewood Cliffs, N.J.:
Prentice Hall, 1958) section 88, section 71, 34.

To Fight or Not to Fight ?  The Ethics of Military Desertion.  William Patterson
©2004. International Journal of Applied Philosophy 18:2. ISSN 0738-098X. pp. 11–25